Tijdgenoot 'Lucy' klom nog in de bomen

Opnieuw zijn er in Ethiopië fossielen van een vroege mensachtige gevonden. Terwijl Lucy door de dorre savanne trok, klauterde deze verwant van tak naar tak.

Acht voetbotjes zijn het maar: vier vingerkootjes, drie middenvoetsbeentjes en een fragment van een middenvoetbeentje. Maar ze zijn 3,4 miljoen jaar oud en gevonden in Ethiopië, de vindplaats van vele fossielen van onze voorgangers. Ze vertellen dat terwijl sommige vroege mensachtigen al rechtop over de grond liepen, er ook mensachtigen waren die nog overwegend van boom tot boom klommen.

De botjes zijn gevonden in de rotsen van Woranso-Mille in de Afar-regio, schrijven Yohannes Haile-Selassie (Cleveland Museum of Natural History) en collega’s vandaag in Nature. Hier leefde Australopithecus afarensis (‘Lucy’), de soort die tussen 2,9 en 3,6 miljoen jaar geleden al rondliep op twee benen – mede dankzij een grote teen die net als bij de moderne mens evenwijdig liep aan de andere tenen. De nu ontdekte voetbotjes zijn anders dan die van afarensis; ze hebben veel aapachtige kenmerken, in het bijzonder een grote teen die eruitziet als een duim.

„De eigenaar van deze voet leefde nog grotendeels in de bomen. Dit deel van Ethiopië was vol water en bossen”, zegt laatste auteur en antropoloog Bruce Latimer (Case Western Reserve University, Cleveland). „Lucy leefde wat verderop, in een droger stuk, veelal savanne. De soorten leefden in elkaars buurt, maar waren elk aangepast aan hun eigen omgeving.” Dat betekent dat de manier waarop vroege mensachtigen bewogen „diverser was dan we dachten”, schrijft evolutiebioloog Daniel Lieberman (Harvard University) in een commentaar in Nature.

Dat komt niet helemaal als een verrassing. In 2009 werd in Ethiopië een 4,4 miljoen oud exemplaar van de soort Ardipithecus ramidus ontdekt. ramidus liep waarschijnlijk al op twee benen. Zijn middenvoet was stijf en de uiteinden van tenen konden omhoog buigen. De grote teen van ramidus was echter net als die van mensapen betrekkelijk klein en zat meer aan de zijkant van de voet.

De nu gevonden botjes lijken sterk op die van ramidus, maar zijn wel een miljoen jaar jonger. „In die leeftijd zit voor mij de verrassing. De voetbotjes zijn dus van een mensachtige die mogelijk is geëvolueerd uit ramidus”, zegt Latimer.

Of er echt sprake is van een nieuwe soort, durft Latimer niet te zeggen: „Ik denk van wel, maar je kunt dit pas echt onderzoeken als je (een flink deel) van de schedel hebt – liefst met veel tanden erbij. We moeten blijven zoeken.”

Voor Lieberman staat vast dat in de manier waarop de vroege mensen zich hebben voortbewogen „de diversiteit langer heeft voortbestaan dan gedacht”. Dat bevestigt volgens hem de steeds meer gangbare theorie dat de menselijke evolutie niet in een rechte lijn is verlopen maar langs kronkelwegen, die veelal doodlopen. Hij wijst op Australopithecus sediba, de mensachtige die in 2010 werd gepresenteerd in Zuid-Afrika. Sediba vormt een mozaïek van aapachtige en mensachtige kenmerken,

De voetbotjes van Woranso-Mille hebben ook een mozaïekkarakter. Mensachtig zijn bijvoorbeeld de grote en ronde uiteinden van de middenvoetsbeentjes, die typerend zijn voor het lopen op twee benen. Aapachtig is de korte grote teen, die afwijkt van de andere tenen en langs de tweede teen kon worden gewreven – handig bij het klimmen.

Al met al heeft de Woranso-Mille-voet veel weg van die van een gorilla. En heel weinig van die van een chimpansee, die het meest verwant is aan de mens. „De chimpansee wordt wel gezien als model voor de vroege mens, maar is daarvoor eigenlijk niet goed bruikbaar”, vindt Latimer: „De gewrichten van de hedendaagse chimp zijn zo geëvolueerd, dat ze in veel opzichten meer ontwikkeld zijn dan die van de mens.”