Onuitwisbaar, maar giftig

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma (bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: anilinepotlood. „Iets heel anders dan kleurpotloden.”

Foto Stephan Breuer

Sommige mensen likken aan de punt van hun potlood voordat ze beginnen te schrijven. Een nutteloze gewoonte, want een gewoon grafietpotlood gaat er niet beter door schrijven. Likken hielp wel bij het anilinepotlood, maar het was een slechte gewoonte: anilinekleurstoffen zijn giftig. Het anilinepotlood is heel algemeen geweest, vanaf ongeveer 1880 totdat de balpen gangbaar werd, in de jaren vijftig. Naast het gewone potlood, dat je met gum uit kon stuffen, was er behoefte aan een onuitwisbare schrijfstift. Postbodes, bestellers, bodes, ja zelfs bakkers en melkboeren waren met een anilinepotlood uitgerust.

De meeste anilinepotloden schreven paars, van de kleurstof methyl-violet. Maar er waren ook andere kleuren zoals methyl-blauw en fuchsine-rood. Ook waren mengsels in gebruik of werden de anilinekleurstoffen gecombineerd met het gewone potloodgrafiet. Iedere potloodfabrikant gebruikte zijn eigen mengsels. Bekende merken waren Koh-I-Noor, Faber-Castell en Caran d’Ache. Anilinepotloden waren heel anders dan kleurpotloden. De anilinekleurstoffen waren meestal oplosbaar in water of alcohol, terwijl kleurpotloden, die nog steeds volop bestaan, kleurstoffen op wasbasis bevatten.

Een postkantoor in de jaren vijftig was niet denkbaar zonder anilinepotloden. Een ondertekening voor ontvangst, het ongeldig maken van zegels – het gebeurde allemaal met anilinepotloden, omdat het snel ging en onuitwisbaar was. Uitstuffen ging niet en wie met water of alcohol aan de gang ging, merkte dat de kleurstof een vlek veroorzaakte.

Maar het anilinepotlood had nog een ander voordeel. In tegenstelling tot de pen met inkt of een vulpen kon je hard op het papier drukken. Dat maakte het anilinepotlood geschikt voor gebruik met carbonpapier. Een nota in duplo schreef je uit op een bonboekje met carbonpapier. De klant kreeg het origineel met anilinepotlood, de aanbieder behield de carbonversie.

Voor sommige soorten anilinepotloden was een nog ingenieuzere vorm van kopiëren. Een tekst geschreven met zo’n anilinepotlood kon gekopieerd worden door er een vochtig gemaakt vel papier overheen te leggen en dit stevig aan te drukken. Als dit papier dun en doorzichtig was, had je in één keer een kopie. Rond de Eerste Wereldoorlog was dit een gangbare manier van kopiëren, onder andere in het leger te velde.

De giftigheid van anilinekleurstoffen was aanvankelijk niet bekend. Geleidelijk kwam men daarachter door nare ongelukjes. Een pas geslepen potlood kan scherp zijn en een steekwond was zo opgelopen. Als de anilinepunt afbrak, ontstond een wond die niet wilde genezen. Wonderlijk genoeg ontstak de wond zelden – het gif was zo sterk dat bacteriën werden gedood. Vooral wondjes onder de nagels kwamen voor. Toen ook bekend werd dat anilinekleurstoffen kankerverwekkend waren, raakte het anilinepotlood in diskrediet. De opkomst van de balpen deed de rest. In de meeste landen werd het anilinepotlood eind jaren zestig voor algemeen gebruik verboden.