Molière laat zich niet dwingen

Vier keer Molière, drie keer mislukt. Na een kleine hausse aan stukken van Molière op de Nederlandse podium is dat de conclusie. Regisseurs Van Hove, Gotscheff en Thie dwongen Molière in hun eigen keurslijf en faalden. Whien liet hem in zijn waarde en bracht een geslaagde en scherpe Misantroop.

De hypochonder, de gierigaard, de huichelaar, de mensenhater. Vier archetypes, door toneelschrijver Molière tot antiheld gemaakt, in De Ingebeelde Zieke (1673), De Vrek (1668), Tartuffe (1664) en De Misantroop (1666). Deze stukken werden dit seizoen opgevoerd door respectievelijk De Utrechtse Spelen, Toneelgroep Amsterdam, NTGent en Toneelgroep Oostpool. Een Molière-golfje, een trend. Na de première van de laatste, Tartuffe, vorige week, is het tijd voor een evaluatie. Wat wilden de regisseurs met Molière, en is ze dat gelukt?

Jos Thie van De Utrechtse Spelen ziet Molière vooral als lolbroek, zoveel werd duidelijk uit zijn kolderieke enscenering van De Ingebeelde Zieke, met rollen voor clownsduo Mini en Maxi en comédienne Loes Luca. Thie regisseert het stuk welbewust op het niveau van de poep- en plashumor. Letterlijk: Paul R. Kooij smeert zich als hypochonder Argan in met zijn eigen urine, en ondergaat een rectale spoeling met een benzinetankpistool.

Volgens Thie is zijn Ingebeelde Zieke exact zoals Molière die ooit bedoeld heeft. Die schreef immers ook in de kantlijn dat hoofdpersoon Argan „scheten latend het podium verliet”, aldus Thie. In deze opvatting, in zwang sinds de jaren dertig, is de Franse toneelschrijver simpelweg een theaterbeest, zijn werk enkel en alleen maar volks entertainment. Ik vond Thies regie persoonlijk nogal platvloers, maar dat verwijt kreeg Molière in zijn tijd evengoed. Het grootste deel van publiek en kritiek smulde in elk geval van deze enscenering, en wat je er ook van kan vinden, stijlvast en consequent was die wel.

Aan het andere uiterste, maar wat mij betreft evenmin geslaagd, bevond zich Ivo van Hoves De Vrek bij Toneelgroep Amsterdam. Van Hove koos ervoor om van deze flinterdunne moraliteit over vrek Harpagon die verliefd is op zijn geld, een eigentijdse vertelling te maken over kapitalisme en generatieconflict. Hans Kesting als Harpagon moest een man zijn, gevangen in de verkeerde tijd, vol ouderwetse opvattingen over normen en fatsoen – een taal die zijn kinderen niet spreken. Een moeilijke, maar eenzame man, niet in staat tot contact met zijn kinderen, en door hen alleen getolereerd vanwege zijn geld.

Maar hier botste Van Hoves inhoudelijke ambitie met Molières vrolijke luchtigheid. Diens moraal was simpelweg dat als je alleen van je geld houdt, en dat doet Harpagon, je iedereen van je vervreemdt. Bij Molière is Harpagon een eendimensionale klootzak, en iedereen om hem heen slachtoffer. Die hufterigheid had Kesting goed te pakken, in zijn explosieve, gewelddadige vertolking. Maar dat ging maar moeizaam samen met de door Van Hove gewenste kwetsbare kant, en zijn suggestie dat Harpagon eigenlijk wél van zijn kinderen houdt. Een droef moment als hij zijn kinderen van zich heeft vervreemd, kwam daardoor nogal uit de lucht vallen. En zijn zelfmoord, een drastische aanpassing van het verhaal, al helemaal. Van Hove wilde van de komedie een tragedie maken, maar eindigde met iets wat geen van beide was.

Fremdkörper

Dimiter Gotscheff die bij TA Tartuffe regisseerde, paste eveneens het einde aan. Vinden eigentijdse regisseurs Molière met zijn moralistische happy ends soms te optimistisch? Dat delen ze dan met interpretaties van Molières werk uit de Romantiek. Destijds werden zijn boodschap als fundamenteel tragisch en zijn hoofdpersonen als slachtoffers gezien. In plaats van dat oplichter Tartuffe door de koning wordt ontmaskerd en zijn slachtoffer Orgon in ere wordt hersteld zoals Molière het schreef, komt de huichelaar bij Gotscheff dus met zijn streken weg, en laat Orgon en diens gezin vernederd en berooid achter.

Gotscheff wilde veel met zijn Tartuffe – te veel. Aan de ene kant wilde hij er met vet, fysiek spel en absurditeiten een klassieke farce van maken. Dat aspect slaagt deels, dankzij de schmierende performances van Wim Opbrouck als Orgon en Frieda Pittoors als zijn dienster Dorine, de maffe dansjes, de absurdistische poses en mimiek van de spelers, en de vervormde hoempamuziek. Tegelijk achtte hij het verhaal over religieuze intolerantie en hypocrisie kennelijk te mager, want hij voegde thema’s als immigratie, racisme en zelfs terrorisme toe. Zijn Tartuffe wil het gezin van Orgon kapotmaken omdat hij de samenleving wil ontwrichten, en niet puur, zoals in het origineel, uit financieel gewin. De verbeten vertolking van Koen de Sutter als Tartuffe, die naast het speelse rijm van Molière ook zware teksten van onder anderen Heiner Müller te spelen kreeg, is een fremdkörper. De rest van de acteurs speelt vooral artificieel. Expres weliswaar, om hun oppervlakkigheid aan te tonen. Maar het resultaat is enkel dat de afstand tot het publiek te groot wordt. Een veelkantige, maar zwalkende voorstelling.

Gotscheff heeft met Van Hove gemeen dat hij het zwart-wit van Molière wenste te vervagen. Van de kinderen, onschuldige slachtoffers bij Molière, maken beiden complexere karakters. In De Vrek zijn ze materialistisch en berekenend, in Tartuffe verwaand en oppervlakkig. Maar dat past niet binnen de rigide contouren van Molières stukken; zie de noodzaak om het einde aan te passen. Het publiek verliest zo zijn leidraad: wie is nu held, wie schurk, wie slachtoffer? Zulke verwarring kan interessant zijn, maar verhoudt zich slecht tot Molières klare lijn van goed en fout. In plaats van prikkelend diffuus, wordt het plaatje zo verwarrend troebel.

Verbeten en verward

Wel geslaagd was de Molière van Oostpool. Dat was bij voorbaat makkelijker, wellicht, want De Misantroop geldt als Molières beste stuk. Mensenhater Alceste is een echt complex personage: hard in zijn categorische afwijzing van sociale huichelarij, maar verliefd op een vrouw die dat tot kunst heeft verheven. Zo biedt deze rol daadwerkelijk ruimte aan gelaagd spel, in plaats van dat het erin wordt geforceerd. Sanne den Hartogh deed dat mooi; zijn Alceste was even verbeten als verward.

Erik Whien schrok terug voor een al te nadrukkelijk regieconcept, waar Molière zich blijkbaar moeilijk in laat dwingen. Hier geen expliciete verwijzingen naar onze tijd, geen iPads, laptops, of New Yorkse loft, zoals bij Van Hove. Maar ook geen tekstaanpassing en rigide spelvorm ter uitdrukking van een regie-idee, zoals bij Gotscheff. Tekst, spel, decor en kostuum waren bij Whien tijdloos en verwezen nergens naar. Maar ze waren niettemin scherp, fris, sprankelend en overtuigend. Hier ging het opeens om communicatie, om gedrag en om intermenselijk contact. Om de inhoud, kortom, zonder dat die van buiten werd opgelegd. Als Molières werk niet te zeer vooraf wordt ingekleurd, behoudt het dus blijkbaar de meeste zeggingskracht.

Bij Oostpools Misantroop ontbrak een dwingende vorm. Maar omdat tekst en spel wel voortreffelijk waren, konden Molières scherpe inzichten over de mens ongehinderd schitteren. En dan blijken ze, vanzelf, vandaag nog net zo actueel als toen.