‘Ik zorg dat het museum er komt’

Verzamelaar Joop van Caldenborgh presenteerde gisteren de plannen voor een museum in Wassenaar voor zijn omvangrijke Caldic Collectie. Het museum moet in 2014 opengaan. „Ik ga het onder geen beding naar mezelf noemen.”

Marcel Broodthaers, ‘Casserole de Moules Noire’ (1968)

Op de maquette in het raadhuis van Wassenaar oogt landgoed Voorlinden nog wat flets. De duinen zijn van plakjes karton, het statige patriciërshuis is gemaakt van blokjes hout. Maar het kost de nieuwe eigenaar, verzamelaar Joop van Caldenborgh (71), geen enkele moeite om het schaalmodel tot leven te brengen. „Daar, op die weilanden, wil ik straks lakenvelders laten grazen. En daar, aan de rand van die waterpartij, komt mijn nieuwe museum.”

Sinds juli 2011 is Van Caldenborgh in het bezit van het 40 hectaren grote landgoed aan de rand van de Wassenaarse duinen en hij heeft er grootse plannen mee. Er moet een honderd meter lang museumgebouw komen, een sober ontwerp van de Rotterdamse architect Dirk Jan Postel, waar de immense Caldic Collectie van Van Caldenborgh in optima forma getoond kan worden. Het park zelf, ontworpen door tuinarchitect L.P. Zocher, zal worden gerestaureerd. En in het bestaande landhuis uit 1912 zal een restaurant komen. Want Van Caldenborgh wil dat zijn nieuwe museum de bezoeker een totaalbeleving biedt. „Je komt er voor de kunst, maar ook om te wandelen, en lekker te eten.”

De eerste plannen werden al in oktober 2011 aan de Wassenaarse gemeenteraad voorgelegd, die in principe met de bouw instemde. Sindsdien heeft de kunstverzamelaar zich „in het moeras van regels en wetten” moeten begeven. Voorlinden is een rijksmonument en ligt in een waterwingebied en in een ecologische hoofdzone. Dus moest er veel vooronderzoek gedaan worden naar de bodem, het verkeer, de flora en fauna. „Ik heb me moeten verdiepen in vlinders en vleermuizen”, grinnikt Van Caldenborgh. „Er schijnen zelfs ijsvogels op het landgoed te zitten. Die wil ik natuurlijk niet storen.”

Het resultaat van al die vooronderzoeken overhandigde Van Caldenborgh gisteren in een grote doos aan burgemeester Jan Hoekema en wethouder Henk de Greef, samen met de officiële bouwaanvraag. „Een historisch moment”, aldus Hoekema. „Want hiermee krijgt Wassenaar er een museum van ongekende allure bij.” Als het aan de burgemeester ligt, heeft Van Caldenborgh binnen een half jaar een vergunning. Het museum kan dan eind 2014 zijn deuren openen.

Van Caldenborgh, die zijn geschatte vermogen van 200 miljoen euro vergaarde als eigenaar van het Rotterdamse chemieconcern Caldic, verzamelt al zo’n halve eeuw kunst. Zijn eerste werk kocht hij als zestienjarige met geld van zijn krantenwijk. In zijn beginjaren ging zijn voorkeur uit naar de mathematische kunst van Ellsworth Kelly, Jan Schoonhoven en Peter Struycken, later werden ook figuratieve schilders als Isaac Israëls, Carel Willink en Chuck Close toegevoegd. Inmiddels bezit de Caldic Collectie werken van alle groten der aarde, onder wie Damien Hirst, Andy Warhol, Marcel Broodthaers en Sol LeWitt.

„Eerst kocht ik kunst die boven mijn eigen bank paste of op kantoor kon hangen, maar een jaar of tien geleden ben ik daar vanaf gestapt. Toen heb ik bijvoorbeeld een doek van Warhol van tien meter lang gekocht, en een sculptuur van Richard Serra die 18 meter lang is en 216 ton weegt.” Misschien, wil hij maar zeggen, begon hij toen te kopen met in zijn achterhoofd de gedachte aan een museum.

Hij heeft lang getwijfeld, zegt hij, over een eigen museum. „Ik vond: er zijn al musea genoeg. Maar naarmate ik ouder werd, begon ik me ook steeds meer zorgen te maken: wat gebeurt er straks met de collectie als ik dood ben?” Hij voerde gesprekken met het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen en met het Haags Gemeentemuseum, maar kon het uiteindelijk toch niet eens worden. „Dat lag aan mij. Ik ben lastig. Ik wilde niet dat een deel van de collectie in de catacomben zou verdwijnen. Bovendien wilde ik graag de kunst in de natuur kunnen plaatsen. Zoals ik dat ook al jaren in mijn eigen tuin doe.”

En toen hoorde Van Caldenborgh dat KPN afwilde van Voorlinden, een landgoed op een steenworp afstand van het landgoed Clingenbosch waar de verzamelaar sinds 1992 woont en een bijzondere beeldentuin heeft aangelegd. „Op Voorlinden wandel ik al jaren met de hond. Het is een stuk grond dat uniek is in Nederland, omdat het op die 40 hectaren maar liefst vier landschapstypen herbergt. Er zijn duinen, bossen, weides en waterpartijen. Op het hoogste duin kun je de zee, Den Haag, Scheveningen en Delft zien liggen.”

Het nieuwe museum moet zo veel mogelijk opgaan in die natuurlijke omgeving. Het gebouw is langgerekt maar blijft met zeven meter hoogte ver onder de boomgrens. De steen van de buitenmuren heeft een „duinzandkleur”. Van de 7.500 m2 vloeroppervlak bevindt een groot deel (3.000 m2) zich in een souterrain. Lange gangen zorgen op meerdere plekken voor doorkijkjes naar buiten. Bovengronds hebben alle zalen daglicht, beneden is er ruimte voor een auditorium en de techniek – „de klimaatinstallatie is van de hoogste standaard, vergelijkbaar met die in het British Museum”, aldus Van Caldenborgh. En voor de sculptuur Open Ended van Richard Serra wordt een eigen, iets hogere zaal gebouwd. „Een museum moet dienend zijn aan de kunst, niet aan de architect. Wat heb je aan een museum waar geen rechte muur te vinden is?”

Kassa’s komen er ook, zegt Van Caldenborgh. „Want we zullen zeker geen subsidie krijgen. Om onze eigen broek op te kunnen houden, komt er een heel goede museumwinkel en een heel goed restaurant. Dat is iets waar andere musea veel te weinig aandacht aan besteden.” Van Caldenborgh wil het museum, de collectie en het landgoed later schenken aan een zogenaamde Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). En hij wordt geen directeur van zijn eigen museum. „Ik ga ervoor zorgen dat het museum er komt, daarna mag een ander het overnemen, dan ben ik oud.” Wel zal hij de ANBI „een potje” meegeven, zodat het museum zichzelf straks zal kunnen bedruipen. „En ik wil natuurlijk wel graag in het bestuur van de ANBI, zodat ik me er nog wel een beetje mee kan bemoeien.”

Is er al een naam voor het nieuwe museum? „Ik ga het onder geen beding naar mezelf noemen. De naam zal kort en krachtig zijn. Maar daar ben ik nog niet uit. Laten we nu eerst maar eens zorgen dat de vergunning er komt.”