Gezocht: Nederlandse EU-ambtenaren

Nu er minder feitenkennis wordt getoetst in de test voor ‘Brussel’ , doen Nederlanders het beter. Maar het aantal Nederlanders bij de Europese Commissie blijft dalen.

Laura van Kampen was in de wolken, toen ze hoorde dat ze geslaagd was voor het toelatingsexamen beleidsmedewerkers voor Europese instellingen. „Ik wil dolgraag een internationale baan”, zegt de 25-jarige Amsterdamse, op wie de euroscepsis geen greep heeft. „Ik ben net afgestudeerd, economie en rechten. Ik heb stage gelopen in het buitenland. Ik hou van die sfeer, van de saamhorigheid.”

Ook bij de Nederlandse overheid zijn ze tevreden dat Van Kampen en 24 andere Nederlanders in 2011 door het beruchte ‘Concours’ zijn gekomen, zoals dit zware Europese toelatingsexamen in de wandelgang heet.

Het is een mooie score, 25 Nederlandse geslaagden op een totaal van 282 uit heel Europa, zeker als je weet dat er 32.000 mensen meededen. Daarmee is 8,9 procent van de laureaten Nederlander, terwijl Nederlanders 3,3 procent van alle EU-burgers uitmaken.

Van Kampen en de andere geslaagden komen op een lijst van mensen die, met hulp vanuit de ambassade, mogen solliciteren op een vaste baan in Brussel. In Den Haag hopen ze dat deze uitslag helpt om een negatieve trend te keren: het aantal Nederlanders dat bij Europese instellingen werkt, neemt de laatste jaren af.

Op hogere beleidsniveaus zit Nederland op het gemiddelde: 3,3 procent. Op topniveau is Nederland bijvoorbeeld bij de Commissie met zes directeuren-generaal en adjunct-directeuren-generaal zelfs oververtegenwoordigd. Het enige smetje is dat daar geen vrouw bij zit. Maar als je naar álle niveaus en soorten contracten kijkt, blijkt dat het aantal Nederlanders bij de Europese Commissie is teruggelopen tot 2,2 procent.

De manier om dat te repareren, is zorgen dat zoveel mogelijk mensen slagen voor het Concours. Dan komen ze aan de basis binnen en stomen ze langzaam op. „Hoe meer mensen je van onderop in het Europese systeem schuift, hoe minder ze om je heen kunnen”, weten Nederlanders in Brussel.

De goede score komt grotendeels doordat het Concours twee jaar geleden compleet is veranderd. Vroeger hadden Nederlanders moeite met dit examen, dat dé toegangspoort is voor vaste banen bij een Europese instelling (politieke benoemingen zijn alleen soms op topniveau mogelijk). Het Concours testte vroeger vooral feitenkennis. Dat sloot goed aan bij latijnse onderwijssystemen die nogal schools zijn, maar niet bij de creatieve leermethodes die in Noord-Europa gebruikelijk zijn.

„Je moest maanden feitjes in je hoofd stampen”, vertelt Alexandra Ekkelenkamp van WerkenbijdeEU.nl, een bureau op het ministerie van Binnenlandse Zaken dat Nederlanders begeleidt en traint voor het Concours. „Voor Nederlanders was dat moeilijk. Fransen of Italianen waren daar beter in. Maar nu het Concours vooral vaardigheden test, gaat het ons veel beter af. Ook de trainingen die we geven, hebben volgens mij geholpen.”

Vroeger moest je weten hoeveel vrouwen er in 1990 bij het Europees Parlement werkten. Of welk land als laatste het Verdrag van Rome ratificeerde. Maar sinds 2010 testen ze elk jaar behalve IQ en emotionele vaardigheden ook hoe je je uit benarde situaties redt, toegesneden op jouw specialisatie, of hoe je in een groep functioneert.

Bij WerkenbijdeEU.nl zag men dat de animo voor het Concours afnam terwijl het belang van de EU steeg - en dus het belang om Nederlanders in Brussel te hebben. De tanende belangstelling kwam niet alleen doordat het Concours taai was. Euroscepsis speelde ook een rol, en het feit dat steeds minder Nederlanders Frans en Duits spreken – wat, naast Engels, officiële werktalen zijn in Brussel.

Ten slotte speelde mee dat je, door bezuinigingen, op een lagere salarisschaal bij parlement of Commissie binnenkomt dan vroeger. Als je uit een land komt met hoge werkloosheid en lage ambtenarensalarissen, gaat dat nog. Maar de Nederlandse werkloosheid is laag, salarissen liggen hoog.

„Door al deze factoren,” zegt Antonio Gavrili, woordvoerder Administratieve Zaken bij de Commissie, „meldden zich sinds midden jaren negentig steeds minder Nederlanders en andere noorderlingen voor het Concours.” Na de EU-uitbreidingen in 2004 en 2007 wás er zelfs een paar keer geen Concours voor hen, alleen voor mensen uit nieuwe landen die moesten instromen.

Nationaliteiten van werknemers bij Europese instellingen moeten de verhoudingen tussen lidstaten ongeveer weerspiegelen. Tegelijkertijd mogen die instellingen, behalve voor nieuwe landen, geen speciale examens voor bepaalde landen houden. Dat is discriminatie. Bij gebrek aan andere instrumenten was het dalende aantal noorderlingen één van de redenen om een nieuw Concours te bedenken. Er wordt maar in een paar landen geadverteerd om deelnemers te werven – waaronder Nederland.

Toch was het aantal Nederlandse aanmeldingen in 2010 en 2011 te laag: 1,49 en 1,69 procent van het totaal. Duitsland was met 6,8 procent van de aanmeldingen ook te laag: het zou ongeveer 16,31 procent moeten zijn. De Britse opkomst was dramatisch: 1,46 procent van de aanmeldingen, in plaats van 12,4 procent.

Ook Luxemburg en Denemarken bleven achter. Veel aanmeldingen waren er in België – 8,05 procent, terwijl het ongeveer 2,16 procent moest zijn. Er waren te veel Italiaanse en Roemeense deelnemers.

Deze trend wordt versterkt doordat komende jaren meer functionarissen uit ‘oude’ EU-landen met pensioen gaan dan uit nieuwere landen. „Als het zo doorgaat”, zegt Gavrili met enige overdrijving, „werken hier straks vooral Italianen, Belgen, Roemenen en Bulgaren.”

Dat is politiek dynamiet. Vandaar dat Ekkelenkamp, jong en enthousiast als ze is, sinds twee jaar mensen probeert te attenderen op het Concours met campagnes via de sociale media en voorlichtingsbijeenkomsten. Wie meedoet, kan trainingen krijgen. Van de geslaagde Nederlanders was 84 procent getraind.