'Geen internet. Geen mail. Ik ontvlucht het echt' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? In deze tweede aflevering: dichter Menno Wigman (1966). Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

‘Ik heb eigenlijk twee werkplekken. Nummer twee bevindt zich in Berlijn; een oud huis dat ik met een paar vrienden huur. Daar ga ik zo’n vijf keer per jaar naartoe, meestal voor ruim een week. Daar is helemaal niets, geen tv, geen internet. Ik ben daar veel meer op mezelf teruggeworpen. Dat komt het werken ten goede. Berlijn biedt bovendien meer inspiratie dan Amsterdam, er bloeien meer subculturen. In die stad heb ik een veel hogere productie; eenderde tot de helft van mijn laatste dichtbundel is daar tot stand gekomen. Maar meestal zit ik in Amsterdam, op dit kleine zolderkamertje. Mijn schrijfhok. Het is de plek waar ik werk, waar ik dicht. Ik woon ook in Amsterdam, maar heel ergens anders. Het is hier oud, tochtig, koud. Als het vriest zit ik bijna tegen het straalkacheltje aan. Gemiddeld ben ik hier zo’n drie dagen per week.

Ik kom ontiegelijk laat op gang. Ik slaap tot een uur of tien, elf, soms twaalf. Als eerste zet ik mijn computer aan. Lees en bekijk alles, terwijl ik in kamerjas rondbanjer en onderwijl twee koppen koffie drink. Dan douchen, om een uur of twee. Vervolgens ga ik alles pakken wat ik mee wil nemen naar mijn werkplek. Vaak een boek of krantenartikel met een bepaalde passage die me was opgevallen. En mijn usb-stick, waarop ik alles heb gezet waar ik misschien wat mee kan. Ik heb hier namelijk óók geen internet en kan niet mailen. Dat is heel bewust: ik kan anders niet werken. Als er internet is wil ik alles zien, zoek ik alles op; het leidt veel te veel af. Ik heb niet de discipline om dat uit te zetten en er niet naar te kijken. Dus het moet er gewoon helemaal niet zijn. Ik ontvlucht het echt. De computer die hier staat is stokoud maar werkt voor mij uitstekend. Ik schrijf, ik dicht, en dat is het. Er is hier niets wat mijn concentratie versplintert, niets wat mij afleidt. Dat heb ik nodig. Er moet rust zijn in mijn hoofd. Al die informatie, alles wat ik heb gehoord en gezien, moet eerst uit mijn hoofd zijn. Pas dan kan ik in mezelf afdalen en me concentreren. Komen de woorden. De zinnen. Hoor ik het ritme in mijn hoofd.

Het begint vaak met één woord, of één registratie van iets. Ik zag bijvoorbeeld spotjes op AT5 (Amsterdamse televisiezender, red.) over Tuincentrum Osdorp. Ik ben nog nooit in een tuincentrum geweest maar zag het opdoemen; dat beeld van het echtpaar dat al te lang getrouwd is en daar in een slap broodje hapt. Die treurnis. Zo moest het daar zijn. Dan rolt daar uiteindelijk een gedicht uit en blijkt het nog te kloppen ook, merk ik aan reacties. Ook las ik eens een titel van mijn favoriete dichter William Butler Yeats, maar ik las die te snel. Ik dacht dat er stond ‘vaccination’, maar dat bleek ‘vaccilation’ te zijn, zag ik later. Maar bij mij waren toen de beelden al naar boven gekomen van die sporthallen met huilende kinderen en bejaarden, waar iedereen die prik kreeg tegen de Mexicaanse griep. In mijn laatste bundel Mijn naam is Legioen staat dus een gedicht over het bizarre fenomeen massavaccinatie. Inspiratie krijgen is het punt niet. Inspiratie is overal. Iets wat ik lees, zie, hoor – het roept meestal wel een associatie op. Dat is de kiem. De rest komt dan later. Als ik een onderwerp heb, doe ik daar grondige research op. Ik wil er alles over weten, zoek alles op. Het kan heel lang duren voordat een gedicht eindelijk af is. Een paar maanden, soms een jaar. Er liggen nu ook alweer twintig tot dertig gedichten in wording klaar. Het uitwerken, dát is het echte werk.

Dat moment dat het af is, dat die laatste regel er staat, dat het helemaal klopt – euforie. De dag erna is altijd heel spannend, als je het voor het eerst herleest. Klopt het nog steeds? De opluchting is groot als het gevoel hetzelfde is. Maar altijd die angst dat het toch niet zo geweldig is als je eerder dacht. Het is wel eens voorgekomen. Ook als het even niet komt blijf ik hier zitten. Hier ben ik om te schrijven, hier moet ik een paar aardige dichtregels zien te produceren. Tussendoor lees ik wat, en dan ga ik weer verder. Pas diep in de nacht fiets ik naar huis.

Omdat ik hier zo veel tijd doorbreng, moet ik me er goed voelen. Met alles wat hier aan de muur hangt heb ik iets. Een zeer oude fotoafdruk van Baudelaire (Franse dichter, overleden in 1867, red.) die nog bij Boudewijn Büch in huis heeft gehangen. Een jeugdfoto van mijn moeder. Maar ook een plaatje van Joy Division uit een oud popblad – sinds kort speel ik weer drums in een bandje met dezelfde soort zwartgallige muziek. En natuurlijk de boeken. Thuis staat veel meer, maar dit is ook al een aardige verzameling. Encyclopedieën; boeken die ik heb vertaald; Shakespeare; bundels van mijn favoriete dichters. Iedere passage in deze boeken inspireert. De wand boven mijn bureau heb ik bewust geel en zwart geverfd. In de literatuur staat die kleurencombinatie symbool voor de Franse decadentie; in 1884 publiceerde J.-K. Huysmans À Rebours, een roman die al snel ‘de bijbel der decadentie’ werd genoemd. Het omslag van dat boek is geel-zwart, vandaar. Fijne kleurencombinatie. Bijkomend voordeel is bovendien dat het de spartaanse omstandigheden op deze werkplek enigszins compenseert. Het haalt dit afgetrapte hok toch wat op.”