Fossielen naast de Febo

Als je goed kijkt, zie je in de gevel van de McDonalds larvikiet zitten, gesteente van een paar honderd miljoen jaar oud. Een wandeling door Amsterdam met geoloog Jan Verhofstad.

Freelance journalist

Zaterdagmiddag op het Damrak in Amsterdam. Engelse toeristen in T-shirts en dagjesmensen beladen met Bijenkorf-tassen schuifelen langs elkaar. Geoloog Jan Verhofstad knijpt de ogen samen als hij tuurt naar de pui van de McDonalds. „Larvikiet uit Noorwegen!” Hij loopt naar de gepolijste stenen gevel, pakt een klein vergrootglas dat om zijn nekt hangt en drukt het tegen het steen aan. „Caledonisch gesteente, een paar honderd miljoen jaar oud. De veldspaten glimmen prachtig.”

Onze steden zijn, naast gebakken klei en beton, gebouwd uit natuursteen. Op enkele plekken in Zuid-Limburg na is dat in Nederland niet te vinden. Steensoorten als graniet, marmer, zand-, kalk- of leisteen moeten van over de grens komen. Bij oude gebouwen nog uit de buurlanden, maar tegenwoordig verder weg tot aan Brazilië en China toe. Dit maakt een gemiddelde stad interessant voor geologen. „Alles is op ooghoogte te vinden en je hoeft er geen berg voor te beklimmen”, zegt de 81-jarige Verhofstad.

Hij speurt al jaren in steden naar bijzondere steensoorten en de fossielen die ze bevatten. De geoloog heeft er zelfs een boek over geschreven met wandelroutes langs bezienswaardigheden van steen. Verhofstad is in het gezelschap van Jeroen van Rhijn (55). Op speciaal verzoek geven de twee een rondleiding door het centrum van Amsterdam. Van Rhijn heeft een expertisebureau in gesteenten. Zo geeft hij advies bij restauratie. Beiden noemen zich ‘hardrock geologen’, ze hebben zich gespecialiseerd in natuursteen.

Tijdens deze tocht zijn geen beitels en hamers nodig. Al heeft Van Rhijn bergschoenen en draagt Verhofstad een vilten hoed die hem samen met de geologieloep om zijn nek de look geeft van een academicus die het veldwerk niet schuwt.

In de Klaverstraat wordt halt gehouden bij Grand Café Mynt. Van Rhijn tikt tegen de zwarte pui. „Zie je die kleine goudkleurige kristallen? Daarom noemen ze dit gesteente Star Galaxy.” Het komt uit India en is ook erg populair in badkamers. Boven de lichtbak van het Kruidvat, iets verderop, leent de gevel zich voor een korte les geologie. De rechthoekige plakkaten laten S-vormige structuren zien. „Dit migmatiet is een metamorf gesteente. Wat wil zeggen dat het diep binnen in de aarde onder extreme druk en temperatuur is gekneed”, doceert Verhofstad. Vandaar de vloeiende lijnen.

In de overdekte passage aan de overkant liggen groenige vloertegels. Het blijkt een kwartsiet te zijn met de naam Alta. „Erg veel gebruikt in de jaren zeventig en nu een beetje uit de mode”, vertelt Van Rhijn. Want ondanks dat een steensoort zich miljoenen jaren in de aardkorst heeft kunnen ontwikkelen, wil het nog niet zeggen dat het tijdloos is. „Soms heb ik een bijzondere soort natuursteen ontdekt in een pui, blijkt er de volgende keer een andere winkel in het pand te zitten die alles heeft weg gesloopt”, zegt Verhofstad.

De vloer in het Magna Plaza is een staalkaart aan steensoorten. En ergens ligt een plak Golden Granite uit Brazilië met een xenoliet met gerichte aansluiting van megakristallen. Voor de niet-geologen onder ons, een xenoliet is een steen die van de wand van een magmakamer is afgebroken en in het toen nog zachte gesteente is gezakt. De dwarsdoorsnede van de steen in de steen ligt op ons te wachten, maar Verhofstad kan het zo snel niet vinden. Al speurend met eigen wandelgids in de hand roept hij de hulp in van een beveiliger. „Is deze tegel in de vloer u weleens opgevallen?”, vraagt hij, terwijl hij een foto van de xenoliet uit zijn boek laat zien. Met een welwillende, maar niet begrijpende blik staart de man naar het boekje om dan ontkennend te antwoorden.

Aan de overkant, bij het Nationaal Monument op de Dam, is een geologisch proces te zien dat nog steeds gaande is. Onder de beeldengroep halverwege de pylon hangen wat stalactietjes, net zoals in een grot. Het druipsteen is gevormd door kalk dat door het regenwater uit het gesteente is gespoeld. Ze groeien enkele millimeters per jaar. Dit kalkgesteente, Travertijn uit Italië, bevat geen fossielen. Daar hoef je overigens niet lang voor te zoeken. Het merendeel van de stoepranden in het centrum van Amsterdam is van Iers hardsteen en dat zit vol schelpen, delen van zeelelies en koraal. De fossielen zijn te herkennen aan de witte kleur.

Voor een mooi fossiel neemt Verhofstad ons mee naar de ontvangsthal van de Stopera. In het Rojo Alicante kalksteen zit een versteend skelet van een inktvis. Eenmaal door de schuifdeuren gaat Verhofstad op de knieën zitten, steekt een wijsvinger in zijn mond en maakt met speeksel het fossiel nat. „Kijk eens hoe mooi dat oplicht. Fantastisch toch?”

De laatste stop is bij een stuk Pillarguri uit Noorwegen met kristallen van amfibool. Het is verwerkt in een paar treden voor een ING pinautomaat op de Bloemenmarkt. De hoeken van treden zijn afgebroken en het zit onder de kauwgom. De twee geologen staan enthousiast over het blauwgrijze gesteente te praten, af en toe details aanwijzend. Zoals vaker tijdens deze rondleiding kijken voorbijgangers vreemd op. Van Rhijn: „Vaak komt iemand uit nieuwsgierigheid naast me staan als ik stenen in de stad bestudeer om te vragen waar ik in godsnaam naar kijk.”

Het boek van Jan Verhofstad heet De Geologische Stad en is nog sporadisch in de boekhandel te vinden