De stille burgeroorlog duurt nog voort

De Birmese regering weet dat haar streven naar hervorming zal mislukken zonder een regeling met de opstandige minderheden. Deel drie in een serie verhalen over Birmezen aan de vooravond van de eerste vrije verkiezingen sinds 1990, deze zondag.

Duizenden wonen al jaren in kampen, gevlucht voor de strijd tussen Kachinstrijders en het Birmese leger. Foto Reuters

Ze horen tot de armste bewoners van het toch al arme Birma en voeren al tientallen jaren strijd met de regering, die de etnische minderheden naar hun smaak nooit serieus genoeg heeft genomen. Tienduizenden Karen, Kachin, Shan en Chin kwijnen al jaren weg in vluchtelingenkampen, deels over de grens in Thailand.

De animo om door te vechten slinkt aan beide kanten, vooral nu de nieuwe regering van president Thein Sein, zelf een ex-generaal, een meer verzoenende toon aanslaat dan de militaire junta deed. „We hebben allemaal genoeg van het geweld. We snakken naar vrede”, zegt Alan Saw U (62), die tot de Karen hoort en zich al twintig jaar inzet voor het behoud van de cultuur van zijn minderheid.

De regering weet dat haar pogingen het land ingrijpend te hervormen en te moderniseren tot mislukken zijn gedoemd zonder een goede regeling met de minderheden. Een verarmd land als Birma komt niet ver, zolang er nog een burgeroorlog woedt. „Je kunt de economische ontwikkeling niet los zien van het etnische conflict”, zegt ook Khin Zaw Win, hoofd van het Tampadipa instituut, een Birmese hulporganisatie.

Een bevredigende regeling van het slepende conflict met de Karen, de Kachin, de Shan en de Chin raakt niet alleen Birma, maar juist ook China. Het bergachtige noorden van het land is een van de belangrijkste centra van de papaverteelt in de wereld. Het ligt in de zogeheten Gouden Driehoek van Birma, Laos en Thailand. Tussen 1997 en 2006 daalde de opiumproductie in Birma gestadig. De regering had tijdelijke bestanden met de gewapende groepen gesloten en er werd harder tegen de papaverteelt opgetreden. De Shan en de Kachin hoopten op meer duurzame economische ontwikkeling.

Omdat daar niet veel van terecht kwam is de Birmese opiumproductie inmiddels weer verdubbeld. Vooral omdat arme boeren geen andere mogelijkheid zagen geld te verdienen. China, dat veel last heeft van drugsverslaafden in de zuidwestelijke provincie Yunnan, probeert de papaverteelt terug te dringen. Maar het doet dat vooral via programma’s, die zijn afgestemd met Birmese functionarissen. De lokale gemeenschappen komen er nauwelijks te pas.

Onder druk van China werd er veel land ter beschikking gesteld aan Chinese bedrijven, die rubber gingen verbouwen. De lokale gemeenschap profiteerde er nauwelijks van, volgens een recente studie van het in Amsterdam gevestigde Transnational Institute. Waardoor velen toch weer voor de papaverteelt kozen.

De Chinezen hebben inmiddels ervaren dat hun aanpak in Birma juist bij de etnische minderheden op weerstand stuit. Een groot stuwdammenproject, dat vooral elektriciteit moest opwekken voor de Chinese industrie, is door de regering van Thein Sein stilgelegd. Die reageerde op de onrust onder de lokale bevolking. „Ik heb vernomen dat de Chinezen zich nu bezinnen op een nieuwe aanpak van zulke projecten”, zegt Tom Kramer, een Nederlandse consultant in Rangoon, die zich veel met de minderheden bezighoudt.

De Birmese regering heeft de laatste maanden herhaaldelijk verklaard dat ze de conflicten met de Karen, de Shan, de Kachin, de Chin en andere minderheden, samen een derde deel van de Birmese bevolking van zo’n 55 miljoen mensen, wil bijleggen. Ze heeft een wapenstilstand gesloten met de Karen, de Shan en de Chin. Onderhandelingen moeten leiden tot een permanente vredesregeling.

Maar met de Kachin wordt nog altijd gevochten, ondanks het feit dat Thein Sein zijn militairen uitdrukkelijk had opgeroepen de wapens te laten rusten. Na een langdurig bestand laaide de strijd vorige zomer in alle hevigheid op. De toestand in de bergachtige Kachingebieden in het noorden van Birma is volgens de internationale mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch slecht.

Zowel de regeringstroepen als het Onafhankelijkheidsleger van Kachin (KIA) begaat wreedheden. Kachinvrouwen zijn door regeringssoldaten verkracht, andere bewoners, sommigen nog maar veertien jaar oud, gemarteld. Het KIA schroomt niet kindsoldaten te gebruiken en lukraak landmijnen te verspreiden.

Nu al werpt de aanhoudende strijd in Kachin een smet op de tussentijdse parlementsverkiezingen van zondag, waarbij althans een deel van de kiezers voor het eerst in 22 jaar vrij zijn stem kan uitbrengen. Om veiligheidsredenen heeft de regering de verkiezingen in drie van de 48 districten waar gestemd zou worden uitgesteld. Het gaat om drie districten in Kachin.

De geestdrift voor de verkiezingen was bij de minderheden toch al geringer dan elders in Birma. Voor veel leden van de etnische minderheden is het lood om oud ijzer of de medestanders van de voormalige generaals die nu de regering bemannen of oppositieleider Aung San Suu Kyi’s aanhangers worden verkozen, want ook Suu Kyi hoort tot de etnische meerderheid in het land.

Bij de Shwedagon-pagode in Rangoon, het belangrijkste boeddhistische heiligdom van het land, zit een jonge man onder een afdak de krant Weekly Eleven te lezen, die vol staat met foto’s van Aung San Suu Kyi. Die laten hem koud, zegt hij. „Ik hoor tot de minderheid van de Shan en we hebben niet speciaal hoge verwachtingen van haar.” En een oudere Kachin-vrouw zegt: „Ik ben niet in die verkiezingen geïnteresseerd, want er doet toch geen partij van ons mee.”

Die onverschilligheid van de minderheden illustreert de kloof tussen de regering en de minderheden. De laatste hebben zich altijd als tweedeklas burgers behandeld gevoeld, als achterlijke wingewesten die voor de centrale regering louter van belang waren wegens hun voorraden hout en hun kostbare mineralen.

„De minderheden hebben nog steeds het gevoel dat de centrale regering de hervormingen helemaal in eigen hand wil houden”, zegt Khin Zaw Win, die een Birmese hulporganisatie leidt. „Ze voelen zich nog steeds buitengesloten.”

De regering ziet dat anders. Ye Thut, directeur op het ministerie van Informatie in de nieuwe hoofdstad Nay Pyi Taw, betoogt dat de regering in de constitutie de ruimte heeft geschapen voor autonomie. „Ze hebben nu allemaal hun eigen deelstaten en ze kunnen zelfs enige belastingen innen. Bovendien zijn we bereid de constitutie nogmaals aan te passen en staan we open voor een dialoog. Maar een tango kun je alleen met z’n tweeën dansen.”

Saw U erkent dat de minderheden onderling verdeeld zijn. Ze moeten snel met elkaar aan tafel. „Ik ben optimistisch, maar van de ene op de andere dag gaat het niet. De mentaliteit aan beide kanten moet echt veranderen.”