De economie moet weer dienstmaagd worden

Wat filosofen zeggen is na eeuwen nog actueel. Zie Plato of, nog ouder, Confucius. Dit is voor een journalist, die – zijn beroepsnaam zegt het al – schrijft over wat er gisteren of vandaag is gebeurd, een excuus om na bijna vijf maanden te reageren op wat de filosoof Hans Achterhuis gezegd heeft in een interview met het dagblad Trouw (7 november 2011), te meer omdat hij ‘de denker des vaderlands’ genoemd wordt – een titel waar hijzelf, vermoed ik, een beetje verlegen mee zit.

Hoe dan ook – het vraaggesprek ging over de schuldencrisis, en die is nu nog actueel. Achterhuis stelt vast dat „de politiek de afgelopen twintig jaar de dienstmaagd is geweest van de economie. Economen vertelden hoe de wereld in elkaar zit, waarna politici er een beleid op mochten bouwen. Maar nu maken we het einde mee van een zuiver economische benadering van het Europese project. We sluiten een tijdvak af.”

Dat project, dat in 1950 begon en uitmondde in één Europese munt, „leidde tot een nieuw en hoopgevend perspectief op Europa”. Maar dit perspectief is, zegt Achterhuis, „helaas niet meer aanwezig”. Het moment van voltooiing van het Europese project is thans „verder dan ooit”. Dat komt doordat „de wetten van de markt bepalen wat er moet gebeuren, de politiek kan zich er alleen maar naar voegen”.

Wat moet er gebeuren? Politici moeten „de rol van dienstmaagd afleggen en de economie weer dienstbaar maken aan de politiek”. Met deze analyse en conclusie kunnen we het grosso modo eens zijn. Wanneer zelfs de vorige president van de Amerikaanse centrale bank, Alan Greenspan, zegt dat er „een fout moet zitten in de overtuiging dat de vrije markt zichzelf beter kan reguleren dan enig overheidstoezicht dat zou doen” (aldus door Achterhuis geciteerd in een artikel in Trouw van 12 november 2011), dan is er iets mis.

Niettemin geeft Achterhuis’ conclusie dat de politici „de economie weer dienstbaar moeten maken aan de politiek” aanleiding tot enkele kanttekeningen – meer dan tot kritiek, want wanneer niet betwist wordt dat de strijdkrachten van een land dienstbaar moeten zijn aan zijn politiek, waarom zou dat niet ook gelden voor de economie? Je hoeft geen socialist te zijn om ook dat primaat te erkennen. De Gaulle dacht er ook zo over.

De vraag is evenwel: aan welke politiek moet de economie weer dienstbaar worden? In de voormalige Sovjet-Unie was de economie dienstbaar aan de politiek, en dat leidde in de jaren ’30, bij de collectivisering van de landbouw, tot een gewilde uithongering van miljoenen boeren, vooral in de Oekraïense graanschuur. Tenslotte zou de Sovjet-Unie zelf imploderen als gevolg van de mislukking van de door de staat geleide economie, die niet op kon tegen het vrijere systeem dat in het Westen gold.

Het communistische China koos uiteindelijk een andere weg, maar aan Mao’s experimenten, zoals de ‘grote sprong voorwaarts’ aan het eind van de jaren ’50, zijn ook miljoenen ten slachtoffer gevallen, vooral door honger. In een amorele kosten-batenanalyse zouden die slachtoffers misschien nog een doel hebben gediend, als de economie erdoor was gaan bloeien, maar dat was niet het geval. Pas na Mao’s dood, toen de economie grotendeels werd vrijgelaten, zou dat gaan gebeuren, en in een fenomenaal tempo. Op zichzelf zegt de stelling dat de economie weer de dienstmaagd van de politiek moet worden, dus niet zo veel.

Tweede kanttekening: de wereldeconomie is een alle grenzen overschrijdend of ‘globaal’ systeem geworden. Aan welke politiek zou zij dienstbaar gemaakt moeten worden? Aan een soort wereldregering? Behalve dat dit een illusie is, zou zo’n leviathan niet eens wenselijk (en zeker niet langs democratische weg bereikbaar) zijn. Zelfs op kleinere Europese schaal lukt dat niet, zoals Achterhuis tot zijn spijt zelf moet constateren.

Wordt één Europese politiek, die nodig is om de Europese economie weer tot haar dienstmaagd te maken, gediend met de verkiezing van de socialist François Hollande tot president van Frankrijk? De hervormingen die hij belooft, zouden de kosten zo ver uit de pan doen rijzen dat hij in conflict zou komen met de regels van het Stabiliteitspact en daarmee met Frankrijks belangrijkste partner, Duitsland.

Maar we kunnen ook dichter bij huis blijven. Welke Europapolitiek zou Nederland voeren na verkiezingen die de SP tot grootste partij zouden maken (wat ze volgens de peilingen nu al is) en de eveneens anti-Europese PVV als tweede of derde? En nu dreigt de PvdA het kabinet haar steun inzake zijn Europese politiek ook al te ontzeggen. In al deze gevallen zou één Europese politiek inderdaad „verder weg dan ooit” zijn.

Kortom, ook hier lijkt Achterhuis’ stelling, hoewel formeel juist, toch op niet veel meer dan een slag in de lucht neer te komen. Dit facit is, na alle offers die gebracht en alle successen die behaald zijn op de weg naar Europa’s eenheid, niet zonder tragiek. Maar ook hier heeft Achterhuis een antwoord op. In een interview met het tweewekelijks tijdschrift VolZin (17 februari) zegt hij: „We moeten leren leven met tragiek. Tragiek – de absurditeit hoort er gewoon bij. We zullen haar soms moeten verdragen.” Akkoord, maar te vrezen valt dat niet iedereen even stoïsch als de wijsgeer zal kunnen zijn. „Het moet wel leuk blijven” is immers het eerste gebod geworden, waaraan ook de politiek moet gehoorzamen.