Alles is opeens onder voorbehoud

‘Soms kan hij vroeger weg. Dan belt hij en heb ik het gevoel dat ik alles moet laten vallen, zodat we, wie weet, eens een avond samen kunnen doorbrengen.’

‘Ik had gewoon niet door hoe dit mij zou raken. In de zomer ging het nog wel, toen werkte hij van negen tot zeven. Maar toen al begon het veranderingsproces. Hij ging grappen maken over de echtgenotes van collega’s en hoeveel geld die uitgaven. Hoe de vriendin van een collega op haar verjaardag tot vier uur ’s nachts op hem had zitten wachten. Langzaam begon mij te dagen: dit zijn hints hoe het gaat worden tussen ons. En toen begon deze herfst zijn werk echt, en moest hij werken tot middernacht, elke dag. Waanzinnig hoe snel je je daarop instelt. Als-ie nu een keer om tien uur ’s avonds klaar is, denk ik: wow, niet slecht.”

Dit komt uit een interview met een vrouw van begin twintig die ik Nur ga noemen. Ze leek me een opgewekt type, arbeidersklasse, net afgestudeerd en van Zuidoost-Aziatische afkomst. Nur had me een mail gestuurd om te vertellen dat ze mijn blog las om beter te begrijpen wat er met haar vriendje aan de hand was, nu hij bij een grote zakenbank werkte.

Wat van zo’n verhaal te maken? Je kunt zeggen: dit is één kant over één relatie. Maar te veel mensen reageerden op dit interview dat ze precies hetzelfde hadden meegemaakt. En te veel insiders lieten desgevraagd weten dat je inderdaad in de eerste zes jaar bij een zakenbank eigenlijk geen vriendschappen kunt hebben, laat staan een relatie. Aangezien deze twintigers over vijftien jaar de grote too big to fail-zakenbanken hopen te runnen, lijkt het zinvol om meer te weten waaraan ze in die vormende jaren tussen twintig en dertig worden onderworpen.

„Alles is opeens onder voorbehoud”, zei Nur. „Als we iets plannen, zegt hij ‘maar misschien kan ik niet komen’. Als we op stap zijn is er altijd de mogelijkheid dat hij met een telefoontje teruggeroepen wordt naar kantoor.”

De machtsbalans in hun relatie is verstoord, of zo voelt het. „Soms kan hij weg tegen achten. Dan belt hij en heb ik het gevoel dat ik alles moet laten vallen, zodat we, wie weet, een avond samen kunnen doorbrengen, misschien zelfs naar een restaurant. Op zulke momenten voel ik zó’n gans, hoe ik dan mijn vrienden in de steek laat en me naar hem toe spoed.”

„Ik zou me toch zo afschuwelijk voelen als hij door mij zijn baan zou kwijtraken. Maar ik heb de afgelopen maanden een paar nieuwe vrienden gemaakt. Die kan ik niet eens aan hem voorstellen. Ze denken vast dat ik een fantasievriendje heb. Ik zou hem willen voorstellen aan mijn zus, maar hij kan nooit voor elven en dan ligt zij al in bed.”

Na haar studie ging Nur weer bij haar ouders wonen, want in Londen is huisvesting onbetaalbaar geworden voor jongeren – of je moet bij een zakenbank werken. Haar ouders weten niets van haar vriendje, en het is moeilijk bespreekbaar met vrienden. Ze wil – typisch Engels – ook niet zeuren.

„Hij staat onder grote druk. Zijn ouders zitten in financiële moeilijkheden. Hij betaalt hun schulden af. Hij is enorm religieus en drinkt niet. Dat maakt het ook niet makkelijker op zijn werk. Zijn ouders hebben zelfs gezegd dat hij wat hen betreft alcohol mag drinken als dat nodig is voor zijn carrière. Maar dat weigert hij. Zelfde met stripclubs. Mijn eigen standpunt slaat nergens op, weet ik, maar zolang we niet getrouwd zijn, mag hij er van mij heen. Daarna niet meer.”

Ze deed zichtbaar haar best om vrolijk te blijven. „Mijn ouders maken zich altijd zorgen dat ik met een lapzwans zou eindigen. Mijn probleem is het tegenovergestelde. Ik heb een man die te hard werkt.”

Joris Luyendijk

De auteur doet in deze column elke donderdag verslag van het leven in de financiële wereld in Londen. Lees meer over de City op guardian.co.uk/bankingblog