Sarphatipark 42

Het moet een vreemd gezicht zijn. Met een zwaar kunstboek in mijn handen sta ik voor een huis aan het Sarphatipark in Amsterdam, terwijl ik langdurig de overzijde inspecteer. Om mij heen kolkt het verkeer, maar ik wil alleen maar weten of het park nog herkenbaar is op de twee schilderijen die in het boek staan afgebeeld.

Het adres is Sarphatipark 42, het pas uitgekomen boek heet Else Berg en Mommie Schwarz. Zij waren een kunstenaarsechtpaar dat van 1910 tot 1942 in Amsterdam leefde. Het boek, geschreven door Linda Horn, is tevens de catalogus bij de tentoonstelling over deze schilders in het Joods Historisch Museum. Berg en Schwarz zijn lang onderschat geweest, maar het waren interessante kunstenaars die mooi werk hebben nagelaten.

Ze bewoonden de laatste periode van hun leven ieder een etage op nummer 42; er is nu een makelaardij gevestigd. Mondriaan had er eerder ook een atelier. Daar werden ze op 12 november 1942 uit hun huis gehaald en naar de Hollandsche Schouwburg overgebracht. Kort daarna moesten ze naar Westerbork, waar ze vier dagen later gedeporteerd werden naar Auschwitz. Direct na aankomst, op 19 november, werden ze vermoord. Else was 65, Mommie – haar neef en levenspartner – een jaar ouder.

Een deel van hun werk hadden ze al weggegeven aan bekenden. Een klein deel werd later in het huis gevonden, evenals een beschilderde koektrommel van Else met allerlei briefjes, foto’s en reisdocumenten. Die trommel is ook op de tentoonstelling te zien. Journaliste Betty van Garrel heeft er een apart boekje aan gewijd: De trommel van Else Berg. Een heel leven – rijk, maar ook tragisch – rijst eruit op.

Else Berg was afkomstig uit het Pruisische Rijnland, Mommie (eigenlijk Samuel, maar Else noemde hem Mommie) ook, maar zijn ouders hadden zich al eerder in Zutphen gevestigd, waar hij geboren werd. Na enige omzwervingen besloten zij zich vanaf 1910 in Amsterdam te vestigen, met regelmatig verblijf in Bergen en Schoorl. Ze verkeerden lange tijd met de schilders uit de Bergense School, zoals Charley Toorop, Jan Sluijters en Leo Gestel.

Op de tentoonstelling hangen twee schilderijen die Else en Mommie een jaar voor hun dood maakten. Het zijn gezichten op het Sarphatipark, vanuit hun ateliers gezien. Het doek van Else heeft nog een zekere opgewektheid, ze laat kinderen onbekommerd in de sneeuw spelen. Bij Mommie is het winterse park beklemmender, er is geen mens meer te zien.

Hoewel het al lente is, zie ik, staand voor hun huis, hoe goed ze de sfeer van het park getroffen hebben. Zo was het en zo is het. Een laag hek ervoor, een auto die passeert op de weg erlangs, veel ruimte tussen de hoge bomen en dezelfde vijver waarin nu een fontein spuit.

Dit moet voor hen ook het laatste beeld zijn geweest van hun omgeving toen ze op 12 november 1942 in hun huis opgepakt werden. Waarom hebben zij het afgewacht? Volgens kunstverzamelaar Adriaan Venema waren ze fatalistisch en wilden ze niet onderduiken. Linda Horn weerlegt dat in haar boek. Ze laat zien dat Else en Mommie wel degelijk een poosje zijn ondergedoken in Baambrugge, maar dat het daar te gevaarlijk werd.

Hun vriend Broos Baanders ziet kort na hun deportatie hoe andere „stakkerige joden” worden weggevoerd. „’n Zeer luguber gedoe”, schrijft hij zijn zoon. „Gelukkig worden de berichten gunstiger en komt er wat teekening in het gemartel.” Was het maar waar geweest.