Plan Syrië: ‘eerst zien, dan geloven’

Nieuwsanalyse Het Syrische regime en ook een belangrijke oppositiegroep zeggen dat zij het vredesplan van internationaal bemiddelaar Kofi Annan steunen. Maar er is de nodige scepsis over de oprechtheid van de steun van met name het regime van Assad.

Internationaal is met scepsis gereageerd op de aanvaarding door Syrië van het vredesplan van internationaal bemiddelaar Kofi Annan. ‘Eerst zien, dan geloven’, was de reactie van de Verenigde Staten. Zij wezen gisteren op de reputatie van Assad als man die te veel belooft en te weinig doet.

Toch heeft oud-VN-secretaris-generaal Kofi Annan nu een soort consensus voor zijn plan verzameld, waarop hij kan voortbouwen. Ook Syrische oppositiegroeperingen stellen zich nu, met tegenzin, op achter Annans plan, dat vorige week al de steun van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties kreeg, inclusief Rusland en China. „We hebben weinig keus”, zei een woordvoerder van de grootste oppositie-organisatie, de Syrische Nationale Raad (SNC), gisteren in Istanbul tegen de BBC, zinspelend op internationale druk.

Een deel van de onderling ruziënde tegenstanders van Assad probeert zich in Istanbul onder zware druk van Turkije en Qatar te verenigen. Tot nog toe wees de SNC Annans plan af, met name omdat het niet oproept tot onmiddellijk aftreden van Assad.

Volgens het plan van Annan moeten het Syrische bewind én de oppositie allereerst het geweld stoppen. Voorts wil Annan een politiek proces tussen oppositie en regime dat tegemoetkomt aan de „legitieme verlangens en zorgen van het Syrische volk”. De autoriteiten moeten „willekeurig gedetineerde personen” sneller vrijlaten, vreedzame demonstraties respecteren, journalisten toelaten en in vrijheid laten werken. Ten slotte moet het regime dagelijks een „pauze” van twee uur naleven om humanitaire hulp mogelijk te maken.

Er was vanmiddag nog geen enkel teken dat het Syrische leger het gebruik van zware wapens in de steden stopzet of op andere wijze bezig is het plan te voeren. „Assad koopt tijd”, zei SNC-lid Adib Shishakly in Istanbul tegen het persbureau Reuters. „Hij speelt spelletjes.”

Volgens schattingen van de Verenigde Naties heeft het geweld in Syrië sinds het begin van de opstand vorig jaar maart meer dan 9.000 burgers het leven gekost. Volgens het Syrische regime zijn ook 2.000 agenten en militairen door oppositiegeweld gedood.

Assads bewind voelt zich sterker na de bloedige herovering van verscheidene oppositiebolwerken in de afgelopen weken. Assad liet dat zelf zien met een wandeling door Baba Amro, de opstandige wijk in de stad Homs die begin deze maand na een beleg van vier weken door het leger werd ingenomen. De staatstelevisie toonde de president in de verwoeste straten van de wijk, in gesprek met groepen aanhangers en militairen in gevechtstenue. „In Baba Amro wordt het leven weer normaal, en beter dan het was”, zei hij.

Ook de verdeeldheid van de oppositie, en de aanhoudende beschuldigen van onder andere de VN dat niet alleen het regime maar ook oppositiegroepen zich aan mensenrechtenschendingen schuldig maken, spelen Assad in de kaart. Westerse regeringen zijn bang dat versplintering en radicalisering van de oppositie een burgeroorlog in de hand werkt, naar het gevreesde voorbeeld van Irak na de invasie van 2003.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton onderstreepte gisteren dat de oppositie zich moet verenigen en de rechten van minderheden respecteren. Maar in Istanbul zijn lang niet alle oppositiegroeperingen verzameld; binnenkort komt in Kairo een concurrerende verzetsbeweging bijeen. En zelfs in Istanbul lukte het niet de schijn op te houden. Koerdische vertegenwoordigers liepen boos weg en de oude, gerespecteerde dissident Haitham al-Maleh vergeleek de SNC met de Ba’athpartij van Assad.