Huurders kunnen niet zonder bemoeizucht, pooiers willen er van af

Het debat in Pauw & Witteman (VARA) tussen voor- en tegenstanders van bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking verliep wat warrig. Er kwam veel op tafel dat om nadere uitwerking schreeuwde. Maar over een punt waren Arend Jan Boekestijn en Marcia Luyten het roerend eens: er was in het verleden veel mis gegaan met projecten, die leidden tot hulpverslaving.

Eerder op de avond was te zien hoe ook in Nederland maakbaarheidsideologie tot hulpverslaving kan leiden. De reality soap De wooncorporatie (NCRV) bevat een aantal hoofdpersonen uit de Amsterdamse buitendienst van Eigen Haard aan wie ik al aardig gehecht begin te raken.

De laconieke onderhoudsmonteur Rob komt spoorslags voorgereden als er een kastdeurtje klemt of een bovenraam tocht doorlaat. Als huurder bel je bij zulke problemen „de huisbaas” die er maar voor moet zorgen dat het weer in orde komt. Alleen de bijna dove mevrouw die de deurbel niet meer hoort, ja, die kan hij moeilijk helpen, want hij weet niet of hij het geluid harder kan zetten.

Er zit ook een schaduwzijde aan deze paradijselijke situatie. Petra, met een bos rode krullen en grote wijd open ogen een en al warmte en begrip, praat toch in het jargon van de bemoeizorg: „Meneer heeft een probleem met aanloop op zijn adres. Hij gebruikt drugs.”

Er blijkt bij de betreffende junk, overduidelijk niet iemand die voor zichzelf kan zorgen, ook een dame op kamers te wonen. Dat is onderhuur, en dat mag niet.

Er mag wel meer niet van de wooncorporatie, althans op het niveau van de huurders. Schreeuwen midden in de nacht, omdat je psychotisch bent, dat betekent een bezoekje van de „buurtregisseur”, het Amsterdamse eufemisme voor een wijkagent. En een kind dat om elf uur ’s avonds nog voor geluidsoverlast zorgt door te lopen, dat kan niet de bedoeling zijn.

Het is wel duidelijk dat veel huurders van Eigen Haard niet zonder dit soort „begeleiding” kunnen. Althans, ze zijn het zo gewend. Dat ligt heel anders in postcodegebied 1012, de rosse buurt waar men eeuwenlang zijn eigen boontjes placht te doppen. De buiten Amsterdam om zijn daadkracht geroemde wethouder Lodewijk Asscher (PvdA) wil daar nu prostitutie, gokken en blowen terugdringen, omdat het ‘criminogene’ activiteiten zouden zijn.

In zijn documentaireserie De bezem door de Wallen (Dokument, NCRV) relativeert Frans Bromet het misdaadgehalte van de huidige praktijk. Niemand ontkent het bestaan van vrouwenhandel en exploitatie, maar over de omvang ervan durft zelfs de zedenpolitie zich niet uit te spreken. Veel mensen uit de praktijk zien in het gemeentelijke beleid vooral bemoeizucht en moralisme. Althans: Bromet illustreert die stelling overtuigend.