Column

Hulp als spiegel (2)

In onze snelle wereld, waarin alles als nieuw wordt gepresenteerd, lijkt het alsof we nu pas een diepgaande discussie over ontwikkelingshulp voeren. Dat zouden we dan aan dit kabinet te danken hebben, dat in zijn eigen boezem voor- en tegenstanders koestert.

De discussie over efficiëntie en effectiviteit is echter niet van gisteren, maar al zo oud als de hulp zelf. Weinig sectoren zijn nationaal en internationaal zo uitentreuren geëvalueerd als ontwikkelingshulp. Herijkingen, speerpunten en nieuwe perspectieven hebben we sinds Jan Pronk veelvuldig gehad, en eigenlijk altijd om dezelfde reden. Omdat hulp nu eenmaal een indirect instrument is. Hulp is: moeten onderhandelen met het waterleidingbedrijf, de gieterfabriek en de tuinman om de rozenstruik op je balkon te begieten. Dat gaat van au, en niet vandaag, hoe dringend de roos ook water nodig heeft. Heel vaak blijf je dan steken in de lekkende gieter, terwijl de roos – hoera! – ongezien gedijt op regenwater.

In al die jaren van evaluaties is zelden de andere vraag gesteld, die toch zo voor de hand ligt. Niet ‘wat hebben arme landen nu aan Nederlandse hulp gehad’, maar ‘wat heeft al die hulp Nederland zelf gebracht’? Natuurlijk, direct economisch rendement. Een onafhankelijke instantie zoals de Rekenkamer moet maar eens uitrekenen wat bijna veertig jaar 0,7 procent van het bruto nationaal product heeft opgeleverd aan werkgelegenheid hier. In ieder geval is er een aanzienlijke professionele klasse ontstaan van consultants en medefinancieringsorganisaties die bemiddelen tussen geldschieters en ontvangers. Het spreken voor de armen en het vertalen van hun behoeften in Nederlandse guldens c.q. euro’s zijn een kunde op zich geworden. André Köbben heeft dit fenomeen zo prachtig getypeerd, met de term „zaakwaarnemers”.

Over een deel van de expertise die zo is opgebouwd, zoals waterbeheer, tropische ziektes, en misschien ook ‘veranderingsprocessen’, moet niet wegwerpend worden gedaan. Ook hier ontbreken de precieze cijfers, maar uit de ontwikkelingspot is regelmatig geld gegaan naar zinvol onderzoek. Talloze promovendi, ook uit ontwikkelingslanden, hebben hierin hun onderwerp gevonden. Hoeveel daarvan nog steeds werken in ontwikkelingshulp en aanverwante terreinen, moet ook eens bekeken worden.

Indirect zijn er allerlei vormen van gewin via de banden die tussen Nederland en een aantal landen is ontstaan, zoals Tanzania of Mozambique. Ongetwijfeld heeft ontwikkelingshulp de weg geëffend voor het bedrijfsleven en mooie handelsrelaties en investeringen opgeleverd. Meer goodwill en een goede reputatie, ook in de Verenigde Naties, zijn niet te kwantificeren, maar niet onbelangrijk. Dat die goodwill nu aan het afkalven is, volgt uit de economische emancipatie van arme landen. Voor het Nederlandse betweterige opgeheven vingertje is geen plaats in de huidige wereldorde.

Het succesvolle zaakwaarnemerschap heeft echter nog een andere kant. Het leidt makkelijk tot arrogantie en een als neokoloniaal ervaren blindheid voor de eigen weg die voormalige ontwikkelingslanden willen volgen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vrouwenemancipatie, mensenrechten en klimaat, die hier en daar tot veel irritatie leiden – de heftige Chinese reactie op de recente unilaterale CO2-heffing voor de luchtvaart is een goed voorbeeld. Dat is uiteraard een maatregel in Europees verband, en veel van wat voor Nederlandse hulp geldt, is ook van toepassing op de Europese Unie, die de meeste gelden uitdeelt.

Wat hulp Nederland oplevert, is niet alleen een simplistische vraag naar gewin. Ik bedoel het veel principiëler: een hulprelatie is altijd een tweezijdige relatie tussen gever en ontvanger. Beiden veranderen daardoor, mogelijk ten goede en ten kwade. Dus de vraag is: hoe is Nederland veranderd in veertig jaar hulp? Onderzoek suggereert dat wie goed doet, zich beter voelt – vandaar de neiging tot zelfgenoegzaamheid en betweterigheid. Maar wordt wie goed doet, daar zelf moreel beter van?

Nederlanders zijn een vrijgevig volk, wij geven graag, vooral aan eenmalige zieligheid, aan aardbevingen en gehandicapte kinderen. Die bereidheid tot geven is zeker gevoed door onze betrokkenheid bij ontwikkelingssamenwerking, en dat is een groot goed. Dankzij de media en de acties voor lepra en andere nare ziektes bestaat het besef dat wij in Nederland bevoorrecht zijn. Dat besef is helaas niet erg sterk, want het omvat zelden onze Oost-Europese of Griekse medeburgers in de EU. Maar toch, dat sprankje mededogen wil ik graag op het conto van ontwikkelingshulp schuiven.

Het lijkt me echter geen toeval dat juist nu verontwaardigde verongelijktheid de Pavlovreactie van de Nederlander geworden is, het verzet tegen ontwikkelingshulp parallel loopt aan het ongenoegen tegenover Oost-Europeanen. Wie zichzelf tekort gedaan voelt, hoe onterecht dat objectief ook is, is zelden in de stemming om genereus te zijn tegenover vreemden. Om de vrijgevigheid die er toch is te overstemmen ontstaat de stereotypering van hulpvragende landen als corrupte regimes en armen als hopeloze gevallen. Ontwikkelingshulp schaf je makkelijker af als je niet nadenkt over de nuances.

Hulp is een spiegel, waarin wij graag onze vrijgevigheid zien, maar waarin nieuwe verhoudingen zich aftekenen. Wij hebben veel gehad aan het geven van hulp, maar zelfs die effecten zijn aan het verdwijnen.