‘Het moet weer meer om de daad gaan draaien’

Lex ter Braak wil dat zijn Jan van Eyk Academie zich meer op de buitenwereld richt. Een noodgedwongen keuze, want het is de vraag of deze postacademische kunstopleiding overleeft.

Na een verbouwing en een grondige schoonmaak lijkt de Jan van Eyck Academie klaar voor de toekomst. Door de grote ruiten schittert het gebouw in het Maastrichtse Jekerkwartier in het gulle voorjaarslicht. De directeur van de academie Lex ter Braak straalt het bijbehorende optimisme uit.

En dat terwijl de toekomst ongewis is. Staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD, Cultuur) wil bezuinigen op de postacademische kunstopleidingen in Nederland. Concurrenten in dit gevecht om leven en dood voor de Maastrichtse Jan van Eyck zijn de Rijksacademie en de Ateliers in Amsterdam. In mei brengt de Raad voor Cultuur advies uit. Rond Prinsjesdag worden definitief knopen doorgehakt. Nu nog vinden jaarlijks zo’n 120 kunstenaars onderdak bij de postacademische opleidingen. Zijlstra wil dat dit er zo’n vijftig worden.

Dertig daarvan moeten een plekje gaan vinden in Maastricht. Kosten per jaar: een miljoen euro van het Rijk (goed voor twintig plaatsen) en een half miljoen van de gemeente, de provincie en uit eigen inkomsten. Met minder en voor minder gaat het niet lukken. De levende spiegel heet het beleidsplan dat Ter Braak voor de jaren 2013-2016 maakte. Het is een verwijzing naar een van Jan van Eycks beroemdste schilderijen Giovanni Arnolfini en zijn bruid Jeanne Cenami (1434), waarop in een spiegel de kunstenaar zelf is te zien. Waarmee hij zichzelf en zijn kunst in de wereld plaatst.

Precies dat is wat de Jan van Eyck Academie nieuwe stijl nastreeft: de kunstenaar meer in de wereld plaatsen. Ter Braak (62), tot september vorig jaar directeur van het Fonds Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst, heeft geen zin om kritiek te leveren op zijn voorganger. De instelling van tot voor kort paste misschien wel bij de tijdgeest. „Maar voor vandaag de dag was het te veel naar binnengekeerd. Het instituut verhield zich nauwelijks tot de dynamiek van haar directe context, de stad en de omgeving. Dan verdwijnt na verloop van tijd de urgentie.”

De directeur haalt Goethe aan: „‘Im Anfang war der Tat’, schreef hij. Die gedachte was de Jan van Eyck de laatste jaren een beetje kwijt geraakt. Vooral het woord werd gecelebreerd. Heel veel culmineerde in de publicatie van een boek. Daar is niets mis mee. Maar er is meer. In de nieuwe opzet gaan we het contemplatieve meer in balans brengen met het actieve. Het beheersen van het metier moet centraler komen te staan.”

Veel moet gaan gebeuren in de vier zogenaamde ‘labs’ die morgen opengaan. Naast die werkplaatsen zijn er nog de zogenaamde In-Labs, waar groepen van vier tot zes kunstenaars en deskundigen zich naast hun projecten moeten kunnen buigen over maatschappelijke vraagstukken. „Grote vragen uit wereld, maar ook zaken die extra spelen in deze regio: bereikbaarheid, leegstand, krimp.”

Terwijl het voortbestaan van de academie onzeker is, richtte de instelling onlangs nog een tweede instituut op, genoemd naar Jan van Eycks broer Hubert. „Het is een beetje baldadig”, geeft Ter Braak toe. „Maar ik hoop dat er iets vermetels uit spreekt. Het laat zien dat we niet voor een gat te vangen zijn.

Ter Braak kan zich niet voorstellen dat het nog dit jaar afgelopen zou kunnen zijn met de Jan van Eyck Academie. „Vanwege de vernieuwingen hier, de rijke geschiedenis van dit instituut en de regionale spreiding. De staatssecretaris heeft bovendien gepleit voor aanbod dat is afgestemd op de vraag. Als al het postacademisch kunstonderwijs op één plek wordt geconcentreerd, is daar geen sprake meer van. Dan heb je gedwongen winkelnering.”