Goed licht voor foto’s

Mevrouw Niterink (links) en mevrouw Wormerveer

De zoom van het gordijn laat los! Verschrikkelijk, het zal je maar gebeuren! We hebben acuut hulp nodig! Geen tijd te verliezen. We schieten onze jassen aan en haasten ons naar de lapjesturk op de Dappermarkt; het mobiele naaisteunpuntstadsdeel van Oost.

Annie heeft in de gauwigheid ook haar fototoestel meegegrist.

„Je weet maar nooit!”, hijgt ze, „kunnen we van de nood een deugd maken en twee vliegen in een klap slaan!”

Zal je altijd zien! We zijn niet de enigen die met spoed opgelapt moeten worden. De hoofddoeken gaan tegen bodemprijzen weg, dus we moeten achter een wildgraaiende meute moslima’s aansluiten.

„Wie was de laatste?”, probeer ik. Maar niemand hoort me.

„Wat een ellende!”

„Het licht is wel goed voor foto’s”, roept Annie optimistisch, want er schijnt een bleek maartzonnetje.

„Ik vind juist dat iedereen zo lelijk wordt als dat waterige licht op die grauwe winterkoppen schijnt”, klaag ik. „Wat zijn Nederlanders toch lelijk!”

„Nee, jij trekt volle zalen”, bekt Annie, „heb je je eigen vrolijke snuitje al bekeken!”

„Precies meid, wat zie jij eruit”, zegt een dikke vrouw in een elektrische rolstoel, ze kijkt me minachtend aan vanachter haar enorme bril. „Of je zo bij het vis bakken de pan uit gesprongen bent!” Haar karakteristiek Amsterdamse slabek scheurt open en ze begint rochelend te lachen.

Er is er maar eentje die zo lacht, maar...leeft ze nog...

„Tante Wil?”, vraag ik aarzelend. „Bent u het?”

„Ja hoor! Helemaal!”

„Hoewel”, ze kijkt omlaag, „zonder benen dan.”

„Ja meid”, vertelt ze vrolijk terwijl ze een shaggie begint te draaien, „van het roken. Eerst ging het ene been. U moet stoppen met roken zeiden ze. Ik moet niks van niemand, heb ik geantwoord. Diezelfde dag liet ik meteen een slof zware Van Nelle brengen.”

Ze steekt haar shaggie op. „Een half jaar geleden ging het andere been. Bedankt dokter, zei ik, ben ik gelijk van mijn spataderen af!” Weer die langzaam aanzwellende lach, die begint met een rochel,waarbij het twee kanten op kan – blijft ze erin of niet.

„Dit is nou tante Wil”, leg ik Annie uit. „Toen ik op de academie voor kleinkunst zat, woonde ik bij haar op zolder.”

„O ja”, huivert tante Wil, „verschrikkelijk was het, dat kattengejank van haar! Niet om aan te horen! Door merg en been ging het! Daar heb ik gelijk korte metten mee gemaakt!”

„Zodra ik met mijn zangoefeningen begon”, leg ik uit, „schakelde tante Wil de elektriciteit uit, stond ik in het donker.”

„Echt wel! Ik laat me door niemand gek maken”, zegt ze, terwijl ze haar shaggie aansteekt. Aan de armleuning van de rolstoel is een plexiglastafeltje gemonteerd, vlak voor haar kolossale buik (als in een vliegtuig) met een grote ronde stalen asbak erop. „Ik ben degene die mensen gek maakt!”

„Ja, echt wel”, gaat ze verder, terwijl ze de sigarettenas aftipt in haar asbak, „ik ben van alle gemakken voorzien en dat is maar goed ook want ik kan er toch geen touw meer aan vastknopen.”

„Waaraan?”

„Aan niks en niemand niet!”

„Mag ik een foto van u maken?”, vraagt Annie.

„Natuurlijk”, zegt tante Wil. „Ik moet er trouwens vandoor! Doedoei!”

Met een pink op de knop rijdt ze zwaaiend en rochelend weg.

„Snap jij dit nou?”, vraag ik Annie.

„Inderdaad”, zegt Annie, „het licht is perfect, ik ga even een foto maken van al die hoofddoekjes.”

„Meffrou!”, hoor ik de lapjesman zeggen. Ik draai me om,

„Heeft u het tegen mij?”

„Die frou daar”, de lapjesturk wijst naar Annie, „iesj dat jou broer?”