Een ernstige leesverslaving

Steeds vaker heb ik dromen waarin teksten worden gedeclameerd – door wie is niet duidelijk – die mij in vervoering brengen. De dromen hebben geen decor, er zijn enkel zinnen en veronderstelde inzichten. Hoe ontzettend overtuigend en aangrijpend, denk ik aldoor. En dan, tijdens het wakker worden en het trachten te onthouden, blijkt altijd dat het om een nonsensicale opeenstapeling van woorden gaat.

Soms vraag ik me af of ik te veel lees. Of dat bestaat, een leesverslaving, in een ernstige zin van het woord. Of het een vlucht is en of dat ziek is. Als ik klaar ben met schrijven – ik schrijf bewust in een kamer waar geen literatuur staat – neemt het lezen over. Ik ben natuurlijk wel eens sociaal of woordloos lichamelijk, maar meestal duurt het daarbij niet lang eer ik naar een boek ga smachten.

Harry Mulisch zei dat hij niet las omdat een schrijver schrijft. In een later interview gaf hij toe dat hij wel las of toch veel had gelezen. Dat soort stiekeme gebruikers zijn misschien minder zeldzaam dan men denkt.

Toch zal het wel waar zijn dat de meeste mensen helemaal geen last hebben van een leesverslaving. Er worden boeken geschreven over leesbevordering. Elk lezend kind wordt aangemoedigd zo door te gaan. De enige smalende reactie die ik mij uit mijn lezende kindertijd herinner, is die van de oogarts die mij mijn eerste bril bezorgde: „Een lezerke zeker?” Hij raadde mij aan nu en dan ook eens in de verte te kijken. Ik kijk nog steeds bij voorkeur zo ver mogelijk uit over zee, of boven mij, de lucht in, zo tussen twee hoofdstukken door.

Eergisteren sprak ik in een park met een man die ik daar vaak ontmoet. We hebben allebei een hond die moet worden uitgelaten en waren daar al een tijdje over uitgepraat. Toen onverwacht bleek dat we een verslaving deelden, zijn we op een bank gaan zitten en hebben we het lang over literatuur gehad. De man bleek een arbeider te zijn en vertelde dat er bedroevend weinig wordt gelezen onder arbeiders. Al noemde hij zijn eigen leesgedrag ‘redelijk overdreven’. Daarna gaf hij toe dat hij al een tijdje niet werkte. Ik vroeg of dat iets met het lezen te maken had. Hij dacht daarover na en concludeerde dat er nooit genoeg leestijd zou zijn. Dat vond ik waar.