Dood Paard toont in stugge 'De Perzen' de keerzijde van heldendom

De Perzen, door Dood Paard. Gezien: 24/3 Theater Frascati, Amsterdam. Tournee t/m 28/4. Inl: doodpaard.nl

„Mijn hart huilt, heel mijn lichaam huilt”: met deze woorden komt de Perzische koning Xerxes op, gehuld in verkreukeld, goudglanzend folie. Kuno Bakker van het gezelschap Dood Paard speelt de onoverwinnelijk geachte koning als een antiheld. De legermacht van Xerxes is door de Grieken bloedig verslagen.

Niks heroïek, niks heldendom of triomf: dat is het uitgangspunt van de toneelvoorstelling De Perzen van Aeschylus, bewerkt door Rob de Graaf. Wanneer het koor Xerxes’ moeder, gespeeld door Manja Topper, verhaalt over de nederlaag van haar zoon, dan klinkt een huiveringwekkende klaagzang op. Acteur Gillis Biesheuvel schept er een satanisch genoegen in om de lange dodenlijst van de Perzen op te sommen.

Zelfs Xerxes’ oude vader Darius krijgt geen rust in het dodenrijk: zijn verschijning in rookwolken is een van de sterke troeven van deze voorstelling. Een omgekeerde stoel verbeeldt zijn kroon. Over de speelvloer staan trouwens tientallen stoelen en krukken verspreid die aan het slot allemaal ondersteboven staan. Als in een café na sluitingstijd.

De handeling is minimaal. De drie spelers beperken zich tot vertellen. In eerste instantie lijkt de voorstelling op een taai hoorcollege over klassieke krijgskunst, maar voor wie eenmaal de sleutel tot anti-heroïsme heeft gevonden, is De Perzen boeiend en zelfs indringend. De litanie van verliezen heeft een huiveringwekkend effect. Voor de belangstellende toeschouwer is het interessant deze voorstelling te vergelijken met de theatermarathon Herakles door Toneelgroep De Appel, die ook nu speelt.

Dood Paard toont de keerzijde van heldendom. Oorlog zaait dood en verderf. De statische vorm van de voorstelling klopt me deze invalshoek. Aan het slot klinkt droefgeestig gefluister, als het koor de toeschouwer inlicht over de duizenden soldaten die Xerxes vergeefs de dood heeft ingejaagd: „Donkere schepen, met zeilen als klapwiekende vleugels, hebben hen meegevoerd.”