De schat van Gessel, een raadsel van goud

Uit Duitse grond kwam een spectaculaire goudschat tevoorschijn. Zulke kunstige sieraden uit de bronstijd waren nog nooit gezien. Wie maakte ze, en kwam het goud uit Centraal-Azië? „Misschien geven ze hun geheimen nooit allemaal prijs.”

Het is de droom van iedere archeoloog, eigenlijk van iedereen die wel eens in de grond graaft: een oeroude schat van puur goud vinden. Een vondst die niet alleen verbijstert door zijn omvang en schoonheid, maar die ook nog eens de wetenschap op z’n kop zet.

Zo’n schat is in de Duitse deelstaat Nedersaksen gevonden.

De vinder, Jan Stammler, de archeologen Stefan Winghart en Henning Hassmann en restaurator Tina Heintges zijn bijna een jaar later nog steeds onder de indruk van wat werd ontdekt in de buurt van Gessel en Syke, ten zuiden van Bremen, en wat na maanden voorzichtig uitgraven en schoonmaken in volle omvang kan worden bewonderd. Maar nog niet voor het publiek: het wetenschappelijk onderzoek naar de schat van Gessel is nog in volle gang.

„Voorlopig hebben we meer vragen dan antwoorden”, zegt archeoloog Winghart van het Niedersächsisches Landesamt für Denkmalpflege. Deze monumentenzorg van de deelstaat heeft de schat voorlopig in beheer. „We moeten nog veel onderzoek doen. Pas in de tweede helft van 2013 zal deze sensationele vondst in een museum te zien zijn.”

Speciaal voor deze krant is de schat uitgestald op een preparatietafel in het souterrain van de Denkmalpflege, tussen microscopen, scalpels, penselen en andere restauratiewerktuigen. Uit het leem en zand van Nedersaksen kwamen 117 objecten van vrijwel puur goud tevoorschijn, met een totaalgewicht van 1,8 kilo. Het zijn kettingen van ronde ringen, een halsband, een armband met spiralen en zonnesymbolen erop, een soort doekspeld om gewaden bij elkaar te houden. Nadere inspectie leerde dat de objecten uit ongeveer 1.350 voor Christus zijn. Ruim 3.300 jaar oud, „zeg maar grofweg uit de tijd dat Toetanchamon in Egypte heerste”, zegt Winghart.

De vondst is het directe gevolg van de aanleg van Nord Stream, de pijpleiding die Russisch gas naar Duitsland transporteert. De aanleg ervan door de Oostzee, met landingspunt Lubmin in Noord-Duitsland, is net afgerond. Vanuit Lubmin gaan vertakkingen naar het zuiden en naar West-Duitsland. Nord Stream wordt geëxploiteerd door het Russische staatsgasbedrijf Gazprom, de Duitse energieondernemingen E.ON en Wintershall, de Nederlandse Gasunie en het Franse Gaz de France. Ze hebben miljarden in Nord Stream gestoken; voor de aanleg moeten kolossale gleuven in het Duitse landschap worden gegraven. Het tracé door de deelstaten Mecklenburg-Vorpommern en Nedersaksen is 440 kilometer lang en 36 meter breed.

„De graafwerkzaamheden bieden ons de unieke kans onderzoek te doen naar historische vondsten in een gebied dat bekendstaat om zijn archeologische rijkdom”, zegt Henning Hassmann. Vanaf eind 2010 zijn zes archeologiebedrijven in opdracht van de overheid permanent aan het zoeken en graven. Winghart: „In die zin is geen sprake van toeval. We hebben vooraf zorgvuldig gepland en realiseerden ons dat we dingen zouden vinden die de moeite waard zijn.”

Op 7 april 2011 was het raak. Archeoloog Jan Stammler zocht met zijn metaaldetector het tracé van de pijpleiding ter hoogte van het plaatsje Gessel systematisch af. Opeens kreeg hij een uitslag waarvan zijn handen trilden. Stammler begon voorzichtig te graven en stuitte al na zestig centimeter op filigraan goudwerk. Hij waarschuwde direct het Landesamt für Denkmalpflege. „We wisten dat we op iets spectaculairs waren gestoten”, zegt Stefan Winghart.

Een stuk grond van achthonderd kilo werd, met de schat erin, ‘gekist’ en meegenomen. Een CT-scan wees uit dat zich in de aarde een grote hoeveelheid in elkaar gedraaide sieraden bevond. Het is een van de grootste archeologische goudvondsten die in Duitsland zijn gedaan.

De vondst roept tal van wetenschappelijke vragen op, waarvan er nog maar weinig zijn beantwoord. Uit stofonderzoek door de universiteit van Hannover blijkt dat het goud waarvan de sieraden zijn gemaakt wellicht uit Centraal-Azië komt. Winghart: „Waar en door wie het goud is bewerkt, hoe het in Noord-Duitsland terechtkwam en waarom het in de grond is gestopt, weten we nog niet. Het is goed mogelijk dat deze schat z’n geheimen nooit allemaal prijsgeeft.”

Wat een wetenschappelijke sensatie is, is dat het om sieraden gaat die zó knap zijn gemaakt dat ze eigenlijk niet in de bronstijd horen.

Henning Hassmann: „Tot nu toe dachten we dat goud in die tijd alleen door hameren tot sieraden kon worden verwerkt. Maar het gaat hier op het eerste oog om ‘getrokken’ gouden draden, een op dat moment onbekende techniek. Er moeten hele fijne instrumenten voor zijn gebruikt, waaruit je zou kunnen afleiden dat het kunsthandwerk verder was ontwikkeld dan we tot nu toe veronderstelden.”

Toen restaurator Tina Heintges en haar team de goudvondst uit leem en zand pulkten, bleek dat sommige sieraden een bruin patina hebben, terwijl goud niet corrodeert. Het is een laagje ijzer en mangaan, dat zich in de loop der eeuwen op het edele metaal heeft afgezet dankzij het mineraalrijke grondwater.

„Je kunt het vrij makkelijk met een borsteltje verwijderen”, zegt Heintges, terwijl ze met haar witte handschoenen voorzichtig een van de gouden ringkettingen betast. De gereinigde sieraden zien eruit alsof ze gisteren zijn vervaardigd. Subtiel, kunstzinnig, matglanzend. De goudschat van Gessel is onvergankelijk. En mysterieus, door al die open vragen.