De herdenking van een typisch Berlijns tunneldrama

Heinz en Harry hebben eindelijk hun monument gekregen. Groot is het niet, een herdenkingsplaat aan de muur, maar Harry Seidel (73) is er blij mee.

Hij krijgt tranen in zijn ogen als hij zijn verhaal vertelt. En als de naam van Heinz Jercha valt, stopt hij met praten. Jercha is dood. Hij werd precies vijftig jaar geleden door een Oost-Duitse officier neergeschoten op de plaats waar gisteren voor hem, door zijn oude makker Harry Seidel, een herdenkingstegel is onthuld: in de Heidelberger Strasse in Berlijn, een straat waar in 1962 de Muur dwars doorheen liep. Aan de ene kant was het vrije westen, aan de andere kant het dictatoriale oosten.

Seidel was toen een beroemde Oost-Duitser. Hij was baanwielrenner en maakte deel uit van de nationale wielerploeg. Maar een vriend van het communistische regime was hij niet. Hij wist na de bouw van de Muur, die op 13 augustus 1961 ineens was begonnen, met vrouw en kind door een gat in een prikkeldraadversperring naar het westen te vluchten.

„Daarna werd het moeilijk voor mijn moeder en de rest van de familieleden die in het oosten waren gebleven. Ze werden onophoudelijk getreiterd door de Oost-Duitse geheime dienst”, vertelt Seidel. „Ik wilde iets doen. Een held was ik niet. Ik wilde me inzetten voor iedereen die vluchtplannen had.”

Zo begon een dramatisch avontuur; een typisch Duits noodlot dat zich alleen in die tijd en op die plaats kon voltrekken. Harry Seidel was, zoals hij het zelf noemt, „tunnelspecialist”. Hij groef vluchttunnels van huizen die in Oost-Berlijn stonden naar huizen in het westen – doorgaans de overkant van de straat.

Van 22 tot 27 maart 1962 slaagde hij erin om samen met de jonge slagersknecht Heinz Jercha en voormalig kioskbezitter Fritz Wagner tientallen vluchtelingen vanuit een kelder van Heidelberger Strasse 75 (oost) naar nummer 35 (west) te sluizen. „Hoeveel het er precies zijn geweest, weet ik niet. Maar de autoriteiten gaan tegenwoordig uit van minstens vijftig mensen”, zegt Seidel laconiek.

Toen kwam 27 maart. ’s Avonds wilden Jercha en Seidel, beiden bewapend, weer mensen doorsluizen. „Onze tunnel was niet meer dan een mollengang. Hij was veertien meter lang en lag twee meter onder de straat. Je kon er alleen ‘tijgerend’ doorheen”, vertelt Seidel.

Wat hij en Jercha niet wisten, was dat zij verraden waren. Een huurder van Heidelberger Strasse 75 was een spion van de Oost-Duitse geheime dienst, de gevreesde Staatssicherheit (Stasi). Hij had ervoor gezorgd dat op die onheilsavond een flink aantal Stasi-manschappen op strategische plaatsen waren opgesteld om eindelijk de al langer verdachte Seidel te arresteren.

Jercha en Seidel hielpen eerst, nog nietsvermoedend, een ouder echtpaar met de vlucht door de tunnel. Tegen negen uur waren ze terug in de kelder van huisnummer 75, aan de Oost-Duitse kant. Harry Seidel wilde naar boven gaan, om net als de vorige avonden de huissleutel te halen. Op dat moment zei Jercha tegen hem: „Jij doet dat steeds. Laat mij nu gaan.”

Het waren de laatste woorden van Heinz Jercha. Toen hij boven kwam, ging een deur open en riep een Stasi-luitenant: „Hände hoch!”

Jercha vluchtte terug naar de kelder, maar werd meteen door Stasi-mensen onder vuur genomen. Het was waarschijnlijk een zekere luitenant Forkel die hem trof, met een afgeketste kogel uit een pistoolmitrailleur.

Seidel vertelt: „Heinz was nog in staat om de tunnel in de duiken. Ik gooide de kelderdeur dicht en dook achter hem aan.” Ze haalden beiden de overkant, maar daar, voor de ogen van zijn vriend, stierf Heinz Jercha. De Stasi-man die hem doodde, heeft nooit voor zijn daad moeten boeten.

Seidel werd een paar maanden later, op 14 november 1962, door de Stasi gearresteerd toen hij tunnelvluchtelingen hielp die bij Kleinmachnow van Oost- naar West-Berlijn wilden. In een showproces kreeg hij levenslang. Vier jaar later werd hij door West-Duitsland vrijgekocht. Hij is Heinz Jercha nooit vergeten.

Joost van der Vaart