Who cares

Opeens was het heerlijk weer, het voorjaar, de zon, de vogeltjes, de blote vrouwenbenen op straat. Het leek wel alsof vrouwen jong en oud hadden afgesproken dat ze vandaag weer voor het eerst hun rokjes aan zouden trekken – daar zou iemand eens een column over moeten schrijven!

Niet dat ik naar buiten ga. Er zijn altijd zoveel redenen om binnen te blijven. Bijvoorbeeld omdat net het nieuwe Mad Men seizoen begonnen is. En volgende week het nieuwe van Game of Thrones. Bijvoorbeeld omdat ik net een nieuwe schrijver heb ontdekt en daarmee in de heerlijkste van alle vraatzuchten zit: de leeslust.

Het is iets wat me met een beetje geluk twee keer per jaar overkomt, dat je onbedoeld een boek in handen krijgt van een schrijver van wie je nog nooit gehoord hebt, je het puur uit nieuwsgierigheid leest en daarna in sneltreinvaart alles kapot leest dat je van hem/haar in handen kunt krijgen. Ik had het tien jaar terug met Murakami, later met Borges, met William T. Vollmann en E.L. Doctorow.

Nu is het de Brit Edward St Aubyn, die inmiddels een kwintet romans geschreven heeft over Patrick Melrose, een telg uit een upperclass familie, getekend door kindermisbruik, financieel wanbeheer en hemeltergend snobisme. Op een van de eindeloze feestjes klagen twee aristocraten wanneer de bandleider zijn musici naar goed gebruik aan het publiek voorstelt; Who cares, zegt de een, als wij op ons landgoed gingen jagen en we moesten een koude rivier oversteken, dan gingen onze drijvers in het water liggen om een soort brug te maken. ‘Niemand had het gevoel dat hij hun naam hoefde te kennen om over hun hoofd te lopen.’

Iedereen lijkt minstens onsympathiek, zo niet sadistisch. Al op de eerste bladzijde van het eerste deel, Never mind, schept de tirannieke vader er lol in de huishoudster zo lang aan de praat te houden dat het te kort is om de volle wasmand in haar handen neer te zetten, maar net lang genoeg om haar armspieren volledig te laten verzuren. ‘Tegen de tijd dat hij zo vriendelijk was geweest om belangstelling te tonen voor het werk van haar zoon op een scheepswerf, had de pijn haar schouders bereikt en een felle aanval op haar nek ingezet.’

Ik ben nu bij boek vier. Patrick heeft inmiddels geworsteld met heroïne, drank, een ontsekst huwelijk en een dementerende moeder die zijn erfenis weggeeft aan hippies en het zou allemaal vreselijk zielig zijn om te lezen als Patrick, en dus eigenlijk Edward St Aubyn, niet verschrikkelijk grappig was geweest.