Waarom ik fókking ben

Filosoof Stine Jensen ontrafelt waarom mensen worstelen met hun identiteit.

Na veertig jaar zou ik het toch zo’n beetje moeten weten, wie ik ben. En als ik mezelf voorstel, lijkt dat ook zo. Want ik doe dat eigenlijk altijd volgens een vaste formule: Hallo, ik ben Stine Jensen. Ik ben filosoof. Ik woon samen en heb een dochter. Hou van film. En heb een tweelingzus.

Onlangs werd ik verrast door een vrouw die zichzelf als volgt voorstelde: ‘Hallo, ik heb geen werk. Ik heb geen vriendje en geen kinderen. Ook geen eigen huis. Ik heb een heleboel dingen niet voor elkaar. Ben ik eigenlijk wel?’ De vrouw – ze noemde niet haar naam, was een jaartje of vijfendertig – omschreef zichzelf in termen van wat ze niet had.

De situatie van deze vrouw klinkt niet uitzonderlijk. Van werk ben je in deze tijd niet verzekerd en dat geldt evengoed voor het slagen op de liefdesmarkt: als hoogopgeleide vrouw kun je er niet vanuit gaan dat je een partner vindt en kinderen krijgt.

De maakbare identiteit ligt, kortom, onder vuur. Een aantal ontwikkelingen heeft daarvoor gezorgd. Ten eerste de financiële crisis. Sommige beslissingen – auto of huis kopen, lid worden van sportclubs – zijn nu minder vanzelfsprekend. Werken is niet langer een ‘hobby’ die vooral dient om jezelf te ontplooien – je mag blij zijn als je werk hébt. Ten tweede is er de opmars van de hersenwetenschap die de maakbare identiteit betwijfelt. De vrije wil? Die bestaat niet! Ten derde rekent een rechts kabinet af met de egalitaire identiteit van Nederlanders.

Er zíjn verschillen, en hard je best doen er wat van te maken, is niet een garantie voor succes. En wie niet succesvol is, mag er niet van uitgaan dat de overheid klaarstaat om te helpen, want de overheid is geen ‘geluksmachine’ meer, aldus onze premier.

Veel studies krijgen een numerus fixus, waaronder psychologie en bedrijfskunde, en je kunt niet meer studies stapelen. Bovendien moet je tot je 67-ste blijven werken. De ‘multiple identity’, gelaagde identiteit, wordt daarmee flink tegengewerkt. De commercie heeft een voorkeur voor fastfood-identiteiten: van Gooise vrouwen tot Feuten. Als je ervan uitgaat dat we gevormd worden door wat we zien en lezen, betekent dit ook: minder variëteit in identiteit en meer opgelegde identiteiten. In deze tijd wordt het steeds moeilijker in aanraking te komen met de niet-populaire identiteiten. Voor een alternatieve ‘ik’ moet je harder je best doen.

Minder vrijheid om je eigen identiteit te bepalen, is dat de trend? En wat doet dat met onze kijk op wie we zijn?

Laten we eens kijken naar twee voorstelbeurten die dit jaar het nieuws domineerden. Tweede Kamerlid Nebahat Albayrak zat onlangs bij Pauw en Witteman als kandidaat voor het leiderschap van de PvdA. Die vroegen haar of het uitmaakte dat ze vrouw en Turks was. Albayrak raakte geïrriteerd. Ze wilde het niet over ‘vorm’, maar over ‘inhoud’ hebben, waarmee ze de economie bedoelde. Over Jeroen Pauw is in deze kwestie veel gezegd (hij zou ‘seksistisch’ zijn geweest). Maar reduceerde Albayrak onze identiteit op haar beurt niet eenzijdig tot economie?

Acteur Nasr Dchar was minder bang zijn afkomst in te zetten. „Ik ben een Nederlander, ik ben heel trots op mijn Marokkaanse bloed, ik ben een moslim, en ik heb een fokking Gouden Kalf in mijn hand!” Dat zei hij, toen hij vorig jaar een Gouden Kalf als beste acteur in ontvangst nam. Uit zijn culturele zelfdefinities – „ik ben een Nederlander!”, „trots op Marokkaans bloed!”, „ik ben een moslim” – weerklonk een driedubbele (en volgens sommigen dus conflicterende) boodschap.

Dchar, die bij Pauw en Witteman nog eens uitvoerig op zijn speech mocht reflecteren, voegde er uiteindelijk expliciet aan toe: „Uiteindelijk gaat het erom dat we mensen zijn; ieder mens heeft zijn dromen, passies en liefde, ongeacht kleur of …” Dchar wilde, zei hij, het liefst van alle hokjes af die hij juist zo gepassioneerd had neergezet. Hij wilde een „mens van de wereld” zijn.

Dchar is de Diogenes van onze tijd: iemand die zijn dromen vrij wil kunnen najagen. Dchar is daarmee de mens met meerdere achtergronden die ernaar verlangt een chronisch mobiele kosmopoliet te zijn, maar die zich dat niet kan permitteren in een samenleving waarin patriotten en wereldburgers een politiek gevecht leveren over van wat Nederland nu eigenlijk is. Albayraks krampachtige reactie toont diezelfde spagaat: ook zij verlangt ernaar de universele mens te zijn, maar stuit op een samenleving die bepaalde aspecten van onze identiteit zwaar gewicht toekent om onze geschiktheid voor de samenleving te bepalen.

Wie zichzelf voorstelt, komt steeds uit bij het verlangen van Diogenes om vrij te zijn en ergens toe te behoren. Ik probeer het opnieuw.

Hallo. Ik ben Stine Jensen. Ik ben trots dat ik een vrouw van Deense afkomst ben, woonachtig in Nederland, en ik voel mij Europeaan. Ik ben een atheïst, zonder Gouden Kalf. Ik beschik nog steeds over de illusie dat ik een vrije wil heb. Ik heb geen koophuis. Ik ben net over de helft, maar dat weet ik eigenlijk niet zeker. Ik ben, kortom, een fokking Hollandse wereldburger.

Deze week verschijnt: Dus ik ben weer van Stine Jensen, een vervolg op Dus ik ben (met Rob Wijnberg). Met hoofdstukken over onder andere macht, reizen, mooi zijn, spelen en sterven. Het tweede seizoen van de gelijknamige televisieserie begint zondag 1 april op Nederland 2 (omroep HUMAN).