Test voor bazen

Een leidinggevende heeft zowel mensen onder als boven zich. Op elk niveau moet ‘de stijl van de leider’ te begrijpen en te aanvaarden zijn. Zo niet, dan volgen: spanning, onzekerheid, stammen- strijd. Zie hier: een test voor bazen. Wie lef heeft, maakt ’m samen met een naaste medewerker.

Leidinggevende en medewerker beantwoorden de stellingen onafhankelijk van elkaar. Medewerkers lezen ‘hij/zij’ waar in de stellingen ‘ik’ staat. Geef aan: klopt, of klopt niet. Voer vervolgens een goed gesprek over elkaars opvattingen, met name bij verschillen van mening en inzicht.

1 Ik heb voor mijn organisatie een heldere koers uitgezet. Iedereen kent ‘het doel waarnaar wij streven’ voor de komende jaren.

2 Ik heb bij overleg niet voortdurend het hoogste woord. Ik kan goed luisteren, ik stel veel vragen aan mijn medewerkers.

3 Ik maak geen jachtige indruk. Hoe vol mijn agenda ook is, ik straal uit dat ik alles ondercontrole heb.

4 Ik neem bewust de tijd om regelmatig zomaar wat rond te lopen op mijn afdeling, om hier en daar een praatje te maken, om spontaan te horen wat mensen drijft of bezorgd maakt.

5 Ik stimuleer een klimaat waarin mensenfouten mogen maken. ‘One strike out’ zou een bange atmosfeer scheppen.

6 Ik zit bij vergaderingen niet voortdurend mijn e-mail te checken, sms’jes te versturen en uit het raam te staren.

7 Gedoe en gezeur in mijn organisatie kan ik snel bezweren: zó gaan we ’t doen; hup, aan de slag; we kunnen hierover niet eindeloos blijvenpraten!

8 Ik heb oog voor de menselijke maat: stuur zelf een kaartje als een medewerker een kind heeftgekregen, bel spontaan iemand op die langdurig ziek is – dat soort dingen.

Deze stellingen zijn gebaseerd de theorie van ‘situationeel leiderschap’. Afhankelijk van taken en capaciteiten van hun medewerkers moeten leidinggevenden kunnen balanceren tussen delegeren, overleggen, overtuigen en instrueren.

Op pagina 2/3: Honden houden managers de spiegel voor