‘Ik ben als een surrealist om de brij heen blijven draaien’

Uit de cartoons van Glen Baxter is een selectie gemaakt van werk dat met Nederland van doen heeft. „De Rietveldstoel is de klassieke stoel van de twintigste eeuw.”

In 2004 had Glen Baxter een expositie in de Amsterdamse Wetering Galerie.

De magie van cartoonist Glen Baxter zit in het ontregelen. Het plaatje heeft vaak al iets bevreemdends: een jongeman met bokshandschoenen staat tegenover een onduidelijke donkere slurf op een tafel. En dan is er nog de tekst, die er een extra draai aan geeft: „It was Frank’s second encounter with Balkan cuisine.”

‘De Monty Python van de cartoons’ is de inmiddels 68-jarige Baxter wel genoemd. Hij is een artist’s artist die John Cleese, maar ook Wim de Bie en Kees van Kooten tot zijn fans kan rekenen. Zijn cartoons staan in The New Yorker (het walhalla voor cartoonisten).

Toch is zijn werk niet onbetaalbaar. Een origineel van zijn beroemde ‘Trouble in the Design Museum’, waarop te zien is hoe bevers de rood-blauwe stoel van Rietveld aanvreten, leverde in 2008 op een veiling in New York slechts 3.750 dollar op.

Jaco Groot van Uitgeverij De Harmonie leerde Baxters werk eind jaren zeventig bij toeval kennen en werd zijn eerste serieuze uitgever. Omdat De Harmonie dit jaar veertig jaar bestaat, zocht Baxter in zijn archief naar alle cartoons die iets met Nederland van doen hebben. Voor de presentatie van de bundeling Colonel Baxter’s Dutch Safari is hij in Amsterdam.

U tekent vaak schilderijen van Mondriaan en de rood-blauwe stoel van Rietveld komt ook regelmatig terug. Vanwaar die voorkeur?

„Toen ik op de kunstacademie in een catalogus werk van Piet Mondriaan zag, vond ik het klinisch en saai. Het was alsof er een formule werd uitgevoerd voor het maken van een schilderij. In het echt vond ik zijn werk juist fantastisch. Het is bijna naïeve kunst. Je ziet de worsteling met de verf. Zijn werk heeft een ziel.

„Rietvelds werk vind ik ook verbijsterend mooi. De Rietveldstoel is voor mij de klassieke stoel van de twintigste eeuw.”

Carel Peeters, van wie u vaak opdrachten kreeg voor VN’s Republiek der Letteren, opperde eens dat uw werk een cover-up is voor existentiële angsten.

„Als kind stotterde ik en de angst om te stotteren is wel bepalend geweest voor de manier waarop ik communiceer. Net als de surrealisten werkte ik als stotteraar met een boog om de hete brij heen. Ik verzon ingewikkelde, vaak wel charmante zinsconstructies om het gebruik van bepaalde woorden te vermijden, of uit te stellen naar het einde van de zin. Dat zie je tot de dag van vandaag terug in de bijschriften bij mijn cartoons.”

Uw tekenstijl is die van de jongensboeken uit de jaren vijftig. Hoe kwam u daarbij?

„Mijn vader was lasser, ik kreeg van huis uit weinig culturele bagage mee, behalve dan die jongensboeken. Op de kunstacademie raakte ik gefascineerd door de surrealist Max Ernst, die negentiende-eeuwse houtsnijwerken combineerde tot collage novels, een soort strips. Ik wilde hem niet nadoen, maar ik dacht wel: ‘Als ik nu die jongensboeken als uitgangspunt neem voor mijn werk? Zoals Ernst vlooienmarkten afspeurde op zoek naar houtsneden, zocht ik jongensboeken. De beelden die ik vond, liet ik gaandeweg versmelten met de poëzie die ik al jaren schreef. En ineens was ik er: ik zeg het ene en je ziet het andere.”

Wim de Bie schreef het voorwoord bij deze bundeling. Waarom?

„Wim de Bie bezit veel werk van mij, dat wist ik. Toen hij mij eens via Jaco Groot uitnodigde voor een lunch, zei ik grappend: ‘Eindelijk krijg ik het Baxtermuseum eens te zien’. Bij aankomst hing er op de voordeur daadwerkelijk een bordje ‘Baxter Museum’ en Wim de Bie verwelkomde ons verkleed als suppoost. Hij gaf ons toegangskaartjes en we moesten onze naam in een boek schrijven. Binnen stonden Kees van Kooten en Jan Mulder in diepe stilte, met de handen achter hun rug, naar mijn tekeningen te kijken. Ik heb zelden zo hard gelachen.”

Vroeger stond u in ‘Vanity Fair’, ‘Het Parool’ en ‘Le Monde’. Waarom publiceren zij u niet meer?

„Er is geen geld meer voor tekenaars die geen politieke cartoons maken. The New Yorker is de laatste ‘living showcase’ waar mijn werk nog een plek vindt.”

Glen Baxter: ‘Colonel Baxter’s Dutch Safari’. Uitgeverij De Harmonie, 48 pag., € 18,99