Brabants meisje

„Dág!”

Het meisje dat deze groet uitte, zat op de passagiersplaats van een geparkeerde auto. Ze was alleen. De bestuurder, een stevige vrouw, was net uitgestapt en naar een rij winkels gelopen. Het meisje had het zijraampje laten dalen terwijl ze aan een ijsje likte. Eerst dacht ik dat haar groet voor iemand áchter mij was bedoeld, maar omdat ze mij bleef aankijken, vroeg ik voor de zekerheid: „Heb je het tegen mij?”

Ze knikte, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat je als tiener een gesprek met wildvreemde mensen begon. Mijn vrouw zat naast mij. We hadden een flink stuk gefietst en rustten uit op een bank langs een weg door Zwanenburg, een dorp ten westen van Amsterdam. De auto met het meisje stond aan de andere kant van de weg, op een meter of vijf van ons vandaan.

Dit deel van het dorp liet aan troosteloosheid weinig te wensen over. Een groepje onooglijke winkels, een stinkende viszaak, een gesloten Chinees restaurant en een schaars bezet parkeerplein, dat geschikt zou zijn voor een snelle afrekening onder maffiosi.

„Woon je hier?” vroeg ik.

„Nee, we zijn op bezoek bij mijn oom en tante, hier om de hoek.”

„Waar kom je dan vandaan?”

„Waalwijk.”

Ze had donker haar, een gaaf gezicht en ogen die met grote onbevangenheid de wereld inkeken. Ze vonden het gewoon ‘best leuk’ om even met ons een praatje te maken, als we haar maar niet kwalijk namen dat het likken aan het ijsje moest doorgaan.

„Ik kom ook uit Brabant”, zei mijn vrouw. „Eindhoven.”

„O ja? Leuk!”

„Vind je Waalwijk fijn?” vroeg ik.

„Is het groter dan Zwanenburg?”

„Véél groter.”

„En is er genoeg te doen?”

„Waalwijk heeft alles”, zei ze beslist. „Een groot winkelcentrum. RKC natuurlijk, al geef ik zelf niet veel om voetbal. En bij ons komt ook die homo uit Gooische Vrouwen vandaan, hij heeft in Waalwijk op school gezeten.”

Ik wisselde een snelle blik met mijn vrouw. Homo uit Gooische Vrouwen? Het zei ons niets, wij hadden dit tv-programma nooit gezien. Maar ik wilde het meisje niet teleurstellen en knikte als een kenner.

„Hoe oud ben je?” vroeg ik.

„Dertien.”

„En wil je altijd in Waalwijk blijven?”

Ze knikte. „Ik ken er iedereen, mijn hele familie woont er.”

„Ben je wel eens in Amsterdam geweest?”

„Heel vaak met mijn ouders.”

„Zou je er later niet naartoe willen?”

„Ik vind het er zo druk”, zei ze. „Al die auto’s, al dat lawaai. Er zijn ook zoveel buitenlanders en ze spreken allemaal andere talen. Ik kan ze niet goed verstaan. Dat hebben wij in Waalwijk niet. En ze stelen ook veel.”

„Dat valt wel mee”, zei mijn vrouw. „We wonen er vijftien jaar en er is nog nooit iets van ons gestolen.”

Ze luisterde verbaasd en likte nu alleen nog mechanisch aan haar ijsje. Zo hoorde je nog eens wat, op een zaterdagmiddag in Zwanenburg. Daar kwam de vrouw die de auto bestuurd had, aangestapt met flessen water en wijn in een doorzichtige tas. Haar moeder? We wilden het niet vragen. Het meisje zwaaide naar ons en deed het raampje dicht.

Terwijl ze wegreden, zei ik tegen mijn vrouw: „Ken jij Waalwijk?”

„Nee, nooit geweest.”

„Dan gaan we er binnenkort naartoe”, besliste ik. „Voor een tegenbezoek.”