Witte muren en dingen die je niet snapt

Wat zijn de kleine verhalen waar de moderne mens in gelooft? Wekelijks vertelt Arjen van Veelen zo’n moderne mythe. Vandaag: de existentiële duizeligheid van een museum.

Stel je een man voor in een zwembroek op het strand. De man begint te lopen. Eerst over het strand. Vervolgens steekt hij de boulevard over en loopt hij de stad in. Daar gaat hij een metrostation binnen. Hij loopt nog altijd in zijn zwembroek.

De man is niet veranderd – en toch ook wel. Ergens tussen het strand en het metrostation is de man raar geworden. Nergens stond een bordje ‘vanaf hier geen zwembroeken meer’. Toch is hij een grens overgestoken, een culturele afspraak, als onzichtbaar laserlicht.

Goed. De man stapt de metro in, gaat de metro weer uit, loopt een supermarkt binnen en koopt een pak wc-papier. Met het pak onder zijn arm stapt hij een museum binnen. In de zaal met moderne kunst haalt hij de wc-rollen uit de verpakking en stapelt hij ze op tot een kleine piramide. Dan gaat hij naast de piramide op de grond liggen, met zijn handen achter het hoofd gevouwen.

De man is nog steeds hetzelfde. De wc-rollen zijn nog steeds wc-papier. Maar ergens tussen de metro en de museumzaal is er, opnieuw, iets raars gebeurd. Bezoekers lopen voorzichtig om de man en om de wc-rollenpiramide heen. Sommigen fluisteren. Soms giechelt een kind en dan zegt iemand „sssst”.

Dit is de essentie van een museum: het is een witte doos die mensen en dingen kan omtoveren. Het ‘museumeffect’, noemde kunsthistoricus en romancier André Malraux dat. Het blote feit dat een wc-rol binnen de muren van een museum is – niet op de toiletten, maar in de zaal – maakt de rol bijzonder.

Dat effect kun je thuis een beetje nabootsen, bijvoorbeeld als je foto’s van bepaalde mensen en momenten inlijst of in vitrinekastjes zet. Maar de kracht van die witte museumdoos is zo enorm sterk dat hij zelfs vliegen, wc-potten of olifantenuitwerpselen kan transformeren in pronkstukken.

Nog moeilijker dan het stelen van een kunstwerk, is het om een kunstwerk een museum in te krijgen. Bij de ingang staan beveiligingsmedewerkers: de mensen die het weten. Al weten ook zij niet alles. Bekend is de stunt van de straatkunstenaar Banksy: hij hing zijn eigen schilderijtje op in het British Museum in Londen. Dat museum ontdekte de omgekeerde diefstal en voegde het werk vervolgens toe aan de eigen collectie.

Als ze maar over die magische, onzichtbare drempel zijn gekomen, dan kan ook een Bic-pen op een voetstuk komen. In Berlijn heb je zelfs een Museum der Dinge: een museum met dingen uit het dagelijks leven, zoals sleutellabeltjes.

Wij, bezoekers, geloven in dat tovereffect. Wij stellen geen vragen. Zoals we een man in een zwembroek raar vinden in de metro, vinden we een wc-rol in een museumzaal gepast. Dat is de culturele afspraak. Hoe absurd het ook wordt.

In het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen is de Pindakaasvloer te zien van Wim T. Schippers. De Pindakaasvloer is een vloer besmeerd met pindakaas. Er staat geen hek omheen, zodat bezoekers al een paar keer per ongeluk op de sculptuur zijn gestapt. De reparatiekosten worden verhaald op de daders. Die protesteren niet, integendeel, maar schamen zich juist, alsof ze op visite bij de koningin per ongeluk een eeuwenoude vaas – een erfstuk – hebben omgestoten. „Ze hadden er verschrikkelijke spijt van”, vertelde voorlichtster Sharon Cohen van het museum tegen een krant. „Het is natuurlijk ook behoorlijk gênant...”.

Zo hoort dat ook. Een museum moet niet te vriendelijk zijn. Want dan verliest het zijn glans en zijn autoriteit. Dan geloven wij niet meer in de transformatie van de wc-rol of de pindakaas. Dan gaan we wel naar de supermarkt.

Musea moeten je nietig doen voelen. Idealiter hebben ze indrukwekkende façades of zuilengalerijen. Idealiter moet je bij de ingang alles inleveren: je tas, je jas, soms zelfs je fototoestel.

De witte muren en de leegte van de zalen werken net zo op je geest als witregels in de poëzie. De lege bladspiegel geeft extra lading aan die paar woorden die er wel staan. Je gaat er langzamer van lopen. Je hoort hier peinzend stil te staan, met je hand onder je kin. Soms doe je een stapje achteruit. Soms doe je een stapje vooruit. Je kijkt maar voelt je bekeken.

Je snapt de werken niet en kunt ze ook niet snappen. Daar hangen ze, daar staan ze, ontworteld, ontvoerd en opgehangen zonder context, vastgebonden als gevaarlijke gekken. Soms buig je naar voren om het minuscule bordje te lezen, eng dichtbij het kunstwerk, en je leest Zonder titel – waar je niet wijzer van wordt, maar dat je toch even een houding geeft.

Ook in supermarkten kijken mensen soms seconden lang peinzend naar een object of buigen ze naar voren, maar daar ervaar je zelden die existentiële duizeligheid van de museumzaal. Een museumzaal is als een vrijwel lege, witgeschilderde supermarkt, waar alleen nog vier wc-rollen staan, die je niet mag aanraken, die je nooit zult kunnen betalen, waar je minstens een kwartier naar moet staren, terwijl het buiten mooi weer is.

‘Als een beschonkene tussen de tapkasten’, zo beschreef de Franse schrijver Paul Valéry zijn museumervaringen in het essay Le problème des Musées (1923). Hij kon er slecht tegen dat er in een museum zoveel schilderijen tegelijk op je afkomen, een allegaar van tijden en stijlen, alsof tientallen orkesten tegelijk spelen.

Maar juist die dronkenschap, die paddotrip, is zo prettig. Die fijne duizeligheid is heel anders dan de experiences die veel musea tegenwoordig beloven. Zoals in Nederland de Voetbal Experience, de Corpus Experience en de Heineken Experience. Zelfs het zoutmuseum te Delden, met onder andere een collectie van ongeveer 2000 zout- en peperstellen, zegt: „Ervaar de totale zout-experience in Delden”.

Maar dat is alsof je in plaats van een dichtbundel een Gamma-folder krijgt. In die musea is er geen tovereffect. Het bier, de voetbalschoen, de zoutvaatjes – ze blijven wat ze zijn: bier, voetbalschoen, zoutvaatje.

Een goed museum heeft witte muren en dingen die je niet snapt.