Weerlinters nog an toe!

Vorige week eindigde deze rubriek met een vraag. In teksten uit 1887 was ik de uitdrukkingen geen donderdag uitvoeren en geen donderdag om iemand geven tegengekomen. Werd donderdag hier gebruikt als eufemisme voor donder, of ging het om oude, flauwe woordspelingen?

Ruim dertig lezers reageerden en wisten uit eigen ervaring wat ik niet had kunnen vinden: donderdag werd en wordt nog altijd in bepaalde kringen als eufemistische krachtterm gebruikt.

We zijn hier aanbeland in de tale Kanaäns, het spraakgebruik der vromen. Dit is een subafdeling van het Nederlands waar ik slecht zicht op heb en die volgens mij gedetailleerder in kaart zou kunnen worden gebracht dan tot nu toe is gedaan, zeker voor dit soort kleine bijzonderheden.

Beter dan de lezers kan ik het niet uitdrukken, dus ik laat ze zelf aan het woord. „Mijn vader, stevig gereformeerd, vloekte nooit”, schreef iemand. „Als hij zich met de hamer op de vingers sloeg riep hij: DONderdag! Hij had daar zelf geen erg in, zo normaal was het voor hem. Het was de enige krachtterm die in het gezin waaruit hij kwam werd gebruikt, en eigenlijk was zelfs die niet toegestaan. Maar donderdag viel net binnen de ruimte die werd gedoogd omdat de mens nu eenmaal zwak is. Opschrijven zou buiten de gedoogzone vallen; dat doe je immers niet in impulsieve zwakte.”

Iemand anders schreef: „Mijn moeder gebruikte donderdag als ze boos op je was en je een standje verdiende: dat mag je niet doen, wat donderdag!”

En een vrouw uit Haamstede meldde: „Ik herinner me goed dat mijn moeder (1901-1980) donderdag gebruikte als krachtterm. Mijn oudere zus, bij wie ik dat navroeg, wist daar aan toe te voegen dat ook weerlicht, maar dan verbasterd tot weerlinters, door haar werd gebruikt, eveneens als krachtterm. Als iets heel erg duur was, zei mijn moeder: wat kost dat donderdags veel. En als iets niet erg naar haar zin was, zei ze: weerlinters nog an toe! Als ze donderdag als krachtterm gebruikte, legde ze de nadruk op donder. Met enige vertraging kwam daar dag achteraan.”

Een lezer die in 1942 op de christelijke kweekschool in Laren zat, herinnerde zich een leraar die lastige leerlingen donderdagse jongens noemde, in plaats van donderse jongens. Iemand anders schreef dat zijn Zeeuwse overgrootmoeder een kwajongen een zaterdagse jongen noemde. Het zou mij niet verbazen als dit een eufemisme in de overtreffende trap is. Van donderse jongen, via donderdagse jongen, naar zaterdagse jongen – om donder helemaal te vermijden. Maar wellicht is dit te vergezocht.

Lezers schreven donderdag als eufemisme te hebben gehoord in onder meer Tholen, Sint-Maartensdijk, Ouderkerk aan den IJssel en Bunschoten-Spakenburg. Vooral Bunschoten-Spakenburg, dat recht boven Amersfoort ligt, werd opvallend vaak genoemd. Zo schreef een wijkagent: „De voornamelijk gereformeerde bevolking gebruikt het woord donderdag hier om de haverklap. Ik moest er erg aan wennen. Als een Bunschoter een beetje koffie morst hoor je ook: donderdag! Tegen lastige jeugd roepen ze: maak als de donderdag dat je weg komt!”

Waarom wordt donder door sommigen zo hardnekkig vermeden? De oorspronkelijke betekenis is toch simpelweg ‘bliksemslag’? Als ik mijn informanten mag geloven: omdat donder en bliksem getuigen van goddelijke bemoeienis met de mens, vooral in oordelende zin. Het is méér dan een natuurverschijnsel; donder en bliksem zijn goddelijke manifestaties, tekenen van de Heer. Dat geeft die woorden een sacrale lading. En dus is het ongepast om zomaar donder, bliksem of weerlicht te zeggen. Met kleine aanpassingen kunnen ze wel nét door de beugel. Vandaar onder meer blissem en blikskaters voor bliksem, weerlinters voor weerlicht en donderdag in plaats van donder.

Geen woordspeling dus, maar een buiging voor God.