Vlam vatten

De kranten leken wel in jubelstemming. En dat viel te begrijpen. Buiten barstte de natuur los, je stapte de deur uit en de lente viel met kabaal over je heen, zaaddragend, gesnaveld, hokverbrekend openspringend, alles vrolijk en wellustig met de hoeven in het rond schoppend, katten knipogend tegen de zon, spiksplinternieuwe baby’s glinsterend in hun mandjes en de krant vol jubel dat Nederland een land is zonder normen. Ja, jubelde ik mee. Vrijheid! Een en al paradijselijke ordeloosheid.

’s Avonds, een beetje tot bezinning gekomen, las ik de krant aandachtiger. Nu begreep ik het. Met de verzuchting dat er geen normen zijn, wordt bedoeld dat er juist heel veel normen zijn – en dat niemand zich eraan houdt.

Vanochtend heb ik de gordijnen dichtgedaan, zodat ik niet kan worden afgeleid door de lente, en ik heb een arrest tevoorschijn gehaald van de Hoge Raad uit 1934. Dat kan ons iets leren over de verhouding tussen wild rondstuiterend gedrag en strenge normen. Het arrest heet in de volksmond ‘Eindhovense brandstichting’ en het schoot me te binnen door de arrestatie van Emile Ratelband. Die zou volgens de berichten betrokken zijn geweest bij het plan zijn eigen huis in brand te steken. Het bleef, zei justitie, bij een poging.

In 1934 hadden de verdachten H. en G. een vergelijkbaar plan. Ze hadden volgens het arrest alles in gereedheid gebracht om het huis in de Ampèrestraat in brand te doen vliegen. Ze hadden kleren – „een mansbroek, een damesbroek” – om een gaskomfoor gewikkeld, er benzine overheen gegoten, closetpapier door het hele huis geslingerd, een „waschketel” met benzine gevuld, een gaspistool geplaatst „met een touwtje aan den trekker, welk touwtje over een muurtje hing”. Alleen was er nog geen daad verricht die kon leiden tot het vlam vatten van de boel. En dus, luidde de uitspraak, waren de handelingen niet strafbaar. „Voor de strafbaarheid van poging tot misdrijf is vereischt begin van uitvoering van het misdrijf.”

In 1934 maakte dit arrest veel discussie los over het verschil tussen ‘voorbereidingshandelingen’ en ‘uitvoeringshandelingen’. Daarvan is mij altijd bijgebleven hoe moeilijk het is een handeling te beschrijven. Gedrag is interpretatie. Want waren de verdachten al iets aan het doen of niet? Waren ze al bezig brand te stichten? Nee, zei de een. Ja, zei de ander. De norm was wel duidelijk, maar de vraag was of het gedrag viel te beschrijven in termen van de norm. Wat was er eigenlijk gebeurd?

Nu kun je zeggen dat dit vooroorlogse probleem tegenwoordig makkelijk kan worden opgelost. Je schuift de verdachten in een hersenscanner en je weet hoe de zaak zit. De Hoge Raad wilde immers vooral weten of ze zouden zijn doorgegaan als ze niet waren betrapt. Zo ja, dan waren ze al met brandstichten begonnen. De neurowetenschap zegt dat ze zo’n vraag kan beantwoorden.

Maar wacht even. Deze week raakte ik toevallig in gesprek over een andere rechtszaak die me van oudsher bezighoudt. Beschreven door Anthony Kenny in een oud boek over de vrije wil, Freewill and Responsibility. En hier werd duidelijk dat het niet altijd zo makkelijk is te zeggen wat er is gebeurd.

Kenny beschreef de zaak van een Afrikaanse tovenaar die ervan werd beschuldigd vier heksen te hebben vermoord. Althans, hij had zestien mensen een toverdrank laten drinken, om zo de heks te kunnen opsporen die verderf zaaide in het dorp. Vier mensen gingen dood en bewezen aldus een heks te zijn geweest. De tovenaar werd aangeklaagd, maar het probleem was dat het drankje niet giftig bleek en dat in de dode lichamen geen gif werd aangetroffen. De rechtbank kon dus alleen een veroordeling uitspreken als ze toegaf dat de tovenaar een tovenaar was en dat de heksen heksen waren. Dit ging veel juristen in Malawi een stap te ver.

Kenny schreef dat in de heksencasus de gemoedstoestand van de tovenaar – de mens rea, het schuldig geweten – wel kon worden vastgesteld. Wat niet vaststond, was de actus reus, de schuldige handeling. Want wat was er met de dode heksen gebeurd?

Volgens mij is deze vraag cruciaal in het gesprek over de vrije wil. Normen zijn er genoeg en die kennen we wel, en de gemoedsgesteldheid van de dader kunnen we in het brein zien oplichten. Het enige onzekere punt is de daad die de verbinding vormt tussen brein en norm. We weten wat het plan is geweest voor de handeling en we weten wat we van de handeling zouden moeten vinden. We weten alleen niet of de handeling ook echt heeft plaatsgevonden.

En daarom, omdat gedrag zo ongrijpbaar is, praat iedereen de laatste tijd liever over normen en het brein. Zegt dat het brein alles is. Schrijft dat er geen normen meer zijn, en dat China mensen verplicht „hun morele normen te verhogen”.

Terwijl je in feite alleen maar greep zou willen krijgen op dat ongrijpbare fenomeen van het menselijk gedrag. En dat kan niet. Als je de gordijnen openschuift, kun je anderen weliswaar buiten zien rondstuiteren, maar je kunt hun gedrag niet dichter benaderen dan door het te interpreteren en te duiden. Alleen je eigen gedrag is gelukkig heel simpel. Dat is gewoon een kwestie van doen.