Verrassende kandidaat voor topfunctie Wereldbank

De kandidatuur van Jim Yong Kim als topman van de Wereldbank komt als een verrassing. President Obama heeft de gewoonlijke kandidatenlijst, bestaande uit bankiers en ambassadeurs, genegeerd en zijn keuze laten vallen op Kim, een medicus die momenteel aan het hoofd staat van Dartmouth College, een Amerikaanse privé-universiteit. De Koreaanse afkomst van Kim en zijn staat van dienst als arts kunnen critici van het Amerikaanse monopolie op de toppositie bij de Wereldbank misschien vermurwen. Maar zonder de gebruikelijke expertise op het gebied van de diplomatie of de financiële dienstverlening zal hij het nog moeilijk genoeg krijgen.

Ervaring als strijder tegen de armoede is doorgaans geen vereiste voor het presidentschap van de Wereldbank. Ontwikkelingswerkers zullen Kim dus vermoedelijk een verfrissende kandidaat vinden. Als mede-oprichter van Partners in Health heeft Kim geholpen goede medische voorzieningen te brengen naar arme gemeenschappen in Haïti of Peru. Kim heeft ook leiding gegeven aan de strijd van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) tegen aids.

Als kandidaat voor de WHO zou hij lastig te verslaan zijn geweest. Maar hij is een merkwaardige keuze voor de Wereldbank. Om te beginnen richt deze multilaterale kredietverlener zijn aandacht steeds minder op de zorg. In die taak wordt immers al voorzien door veel andere organisaties. Ernstiger is dat Kim tot nu toe weinig blijk heeft gegeven van de diplomatieke flair die doorgaans voor deze baan vereist is.

Het managen van de dikwijls onverzoenlijke aandeelhouders van de Wereldbank – afkomstig uit 187 lidstaten – heeft een forse wissel getrokken op doorgewinterde diplomaten als de aftredende directeur Robert Zoellick. Gezien de steeds belangrijker rol van de Wereldbank bij het begeleiden van landen in crisis, zou de benoeming van een troubleshooter als Susan Rice, de Amerikaanse VN-ambassadeur, een logischer keuze zijn geweest.

Kim zal ook de financiële finesses van het besturen van een ingewikkeld internationaal kredietorgaan moeten leren. De Wereldbank moet de komende jaren financiële producten ontwikkelen die als goed en betrouwbaar alternatief kunnen dienen voor opkomende landen, die nu vaak verleid worden met ‘makkelijk geld’ van financiële markten of van nieuwe donoren zoals China.

De kandidatuur van Kim kan erop duiden dat het Witte Huis er niet in is geslaagd meer voor de hand liggende figuren uit diplomatieke of financiële kringen voor de baan te interesseren. Misschien houden die hun kruit wel droog voor aantrekkelijker posities. Kim kan een goede en wereldwijde acceptabele keuze blijken. Maar op dit moment blijft het vermoeden dat zijn nominatie een keuze uit armoede is.

Vertaling Menno Grootveld