'Regering Tunesië moet nog wennen aan vrije pers'

Zijn censuurincidenten in Tunesië voortekenen van een nieuw regime? Nee, geboorte-weeën van een democratie zegt Al-Jazeera’s Lotfi Hajji.

De arm van de half-Tunesische Real Madrid-voetballer Sami Khedira bedekt de blote borsten van zijn vriendin, een Duits fotomodel. De foto sierde de omslag van het Tunesische dagblad Attounisia. De hoofdredacteur van die krant, Nassredine Ben Saida, belandde in de gevangenis, als eerste journalist sinds de val van president Ben Ali in januari 2011. Na een achtdaagse hongerstaking werd hij vrijgelaten, maar begin maart legde de rechter hem een boete van vijfhonderd euro op vanwege „schending van de fatsoensnormen”.

„Tunesië zit in een overgangsperiode van dictatuur naar democratie”, zegt Lotfi Hajji, hoofdredacteur van de Tunesische tv-zender Al-Jazeera en voorzitter van de landelijke journalistenvakbond. Onlangs bezocht hij Den Haag. „Dit soort inbreuken op de persvrijheid duiken dan sporadisch op. Dat is normaal.”

Mediawaakhond Reporters Without Borders vreest echter dat religieuze extremisten morele censuur opwerpen, net nu de pers na Ben Ali’s vlucht ongekende vrijheid leek te genieten.

Is die angst gegrond?

Lotfi Hajji: „Een dictatuur die de moraal wil bepalen zie ik niet snel opkomen. Dit zijn geïsoleerde incidenten, die horen bij de zoektocht van maatschappij en media. Het raakt het hart van de vrijheid niet. Relatief gezien zijn de religieuze groepen in Tunesië gematigd, al laten de salafisten zich meer gelden.

„De journalistieke ethiek vind ik een groter aandachtspunt. Na de aftocht het van regime vielen de media in volledige vrijheid, waarbij sommige journalisten hun verantwoordelijkheid uit het oog verloren. Zij gebruiken hun media nu als platform voor smaad.”

Wat heeft de revolutie opgeleverd voor de mediawereld?

„Eindelijk is er ruimte voor publiek debat en vrijheid van meningsuiting, wat onder Ben Ali ondenkbaar was. Hij legde absolute censuur op, de staatsmedia waren oppermachtig. De media kunnen zich nu richten op maatschappelijke kwesties als armoede, niet langer gehinderd door politieke belangen.”

Premier Jebali vindt dat de media „niet de werkelijke wil van de bevolking weerspiegelen”.

„De media staan niet meer in het teken van staatspropaganda, maar zijn publiek bezit. De mentaliteitsverandering bij de regering komt maar langzaam op gang.”

Tijdens de opstand, die leidde tot de val van Ben Ali, filmden jongeren het politiegeweld met hun mobiele telefoons en stuurden de filmpjes via Facebook naar Hajji, die ze uitzond op Al-Jazeera. Hajji werd op de huid gezeten door de veiligheidsdiensten.

„De Tunesiërs spraken hun dankbaarheid uit dat Al-Jazeera de revolutie mogelijk maakte”, schrijft Hajji in zijn korte memoires over de opstand. „Op zulke momenten heeft een journalist geen andere keuze dan de kant van de bevolking te kiezen. Zo verdedig je de vrijheid van de mensen en herstel je de waarden van gerechtigheid die zijn vertrapt door dictators.”

Ziet u zichzelf als activist?

„Persvrijheid en mensenrechten zijn ondeelbaar, dus in die zin ben ik activist. Tunesië verschilt wat dat betreft volledig van Nederland. Vergelijk het met de Tweede Wereldoorlog. Dan kies je tussen de onderdrukten óf de bezetter. Wanneer een volk vrijheid eist, heb je geen keuze dan dat te omarmen. De grens ligt bij partijpolitiek activisme.”

Staakt u uw activisme nu het volk de vrijheid heeft die het wenste?

„Ik blijf altijd activist, met de nuance dat we vroeger tegen een bulldozer vochten en we nu meer eisen kunnen stellen. De democratie moet worden opgebouwd.”