Israël zet zwaar diplomatiek geschut in tegen VN Mensenrechtenraad

Palestijnen verzamelen hun eigendommen nadat hun woningen in het Arabische deel van Oost-Jeruzalem zijn gesloopt door Israëlische bulldozers omdat ze gebouwd zouden zijn zonder de juiste vergunning. Foto AP / Ahmad Gharabli

Israël zou alle banden met de VN Mensenrechtenraad hebben verbroken. Een delegatie van de raad is niet welkom om in Israël of de Westelijke Jordaanoever een onderzoek te doen naar joodse nederzettingen. Dit melden persbureau AP en de Israëlische krant Haaretz.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische ambassadeur bij de VN in Genève opdracht gegeven per direct alle contacten te verbreken. Hij mag geen telefoontjes aannemen van Navi Pillay, de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN. Toch is ‘verbreken van de betrekkingen’ volgens onze correspondent in Israël, Leonie van Nierop, te sterk uitgedrukt:

“Israël heeft zijn ambassadeur bij de mensenrechtenraad niet teruggeroepen. In feite is de reactie nu dezelfde als drie jaar geleden, toen Israël niet wilde meewerken aan het VN-onderzoek naar het offensief in de Gazastrook. Desalniettemin is het niet beantwoorden van de telefoon en VN-onderzoekers toegang tot Israël weigeren zeker zwaar diplomatiek geschut.”

Israël: raad heeft anti-Israëlische houding’

Wat Israël ermee denkt te bereiken, is volgens Van Nierop echter onduidelijk. Dat Israël bepaald niet dol is op de VN-Mensenrechtenraad, die premier Netanyahu afgelopen donderdag nog ‘hypocriet’ noemde, was al bekend, verklaart ze. De Mensenrechtenraad besloot vorige week tot een onderzoek naar de bouw van nederzettingen op de Westoever en in het oosten van Jeruzalem. In een resolutie werden zulke bouwactiviteiten veroordeeld.

Israël beschuldigt de raad van een anti-Israëlische houding, vanwege zijn onevenredige aandacht voor het beleid van Israël en het Israëlische handelen jegens de Palestijnen. Volgens Israël gaat de raad voorbij aan mensenrechtenschendingen in bijvoorbeeld Iran en Arabische landen.

“Of de vermeende vooringenomenheid jegens Israël, waarvan de premier de raad beschuldigt, door de diplomatieke streken van vandaag ten gunste van Israël keert, lijkt mij onwaarschijnlijk. Mogelijk mikt de Israëlische regering met deze uithalen en maatregelen meer op het binnenlandse publiek, dat het nederzettingenbeleid van de Israëlische regering voor een goed deel steunt.”