Het betere diplomatieke schelden van Clinton & co

Als de Amerikaanse en de Russische minister van Buitenlandse Zaken elkaar voor rotte vis uitmaken, dan kun je het gerust schelden op niveau noemen. Het gebeurt niet vaak, maar een enkele keer vliegt de vlam in de pan. Harde woorden over en weer, goed gespeelde boosheid op tv – blijkbaar moet er voor een groot publiek een punt gemaakt worden.

Ook dat hoort bij diplomatie. En het mooie is, in de grote wereld begint niemand te zeuren over de toon van het debat. Gewoon terugblaffen.

Deze keer begonnen de Amerikanen. Niet met de beeldende retorische kracht van George W. Bush, die de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-il eens voor een „boosaardige pygmee” uitmaakte, maar toch met een stevig openingsschot. De Russen waren „walgelijk” en „schandelijk” bezig, zei VN-ambassadeur Susan Rice vorige maand, nadat Rusland en China in de Veiligheidsraad een veto hadden uitgesproken over een resolutie tegen het geweld van het Syrische regime. Het was slechts een opmaat voor Hillary Clinton.

Met het soort taal dat je eerder van Vladimir Poetin zou verwachten, brieste Clinton dat de Russen de Veiligheidsraad „gecastreerd” hadden en dat ze „verachtelijk” waren. Wie zei dat diplomatiek taalgebruik altijd indirect en omzichtig is?

Clintons geslepen Russische collega Sergej Lavrov, al acht jaar in het vak, noemde dat op zijn beurt weer „onfatsoenlijk en bijna hysterisch”. Met dat ‘bijna’ toonde hij zich de meester in het diplomatieke schelden: hij had feitelijk niemand hysterisch genoemd, maar het woord wel even laten vallen. „Degenen die boos worden, hebben bijna nooit gelijk”, voegde hij er nog vilein aan toe.

De ruzie gíng ergens over: de aanpak van de crisis in Syrië, een burgeroorlog waarbij in een jaar naar schatting 8.000 doden zijn gevallen. Maar hoe getergd de Amerikanen ook waren, hun boosheid diende ergens toe. In het Westen was, en is, oprechte verontwaardiging over het brute optreden van het Syrische leger. Maar er is geen bereidheid om militair in te grijpen in dat kruitvat. De diplomatieke woede op de Russen leidde aardig de aandacht af van de gelatenheid waarmee de Westerse leiders het Syrische drama aan het uitzitten waren.

Als de Russen maar niet zo dwars zouden liggen, was de boodschap, dan... Ja, wat dan? Dan was er een resolutie , dan was de druk op Assad opgevoerd, en dan ... dan was hij vrijwel zeker evengoed doorgegaan met het neerslaan van de opstand. Want ook met een resolutie op zak waren de VS en de NAVO heus niet opeens ten strijde getrokken in wéér een islamitisch land – deze keer midden in een gebied waar enkele van de meest explosieve conflicten samenkomen.

Inmiddels hebben Rusland en Amerika elkaar in de Veiligheidsraad alsnog gevonden. Woensdag sprak de raad unaniem steun uit voor de bemiddeling van Kofi Annan. Annan vraagt beíde partijen het geweld te staken en eist niet het vertrek van Assad, maar probeert een dialoog op gang te brengen.

Het is de vervloekte aanpak waar de Russen al die tijd al voor pleitten. Ook in Washington, Londen en Parijs is het besef doorgedrongen dat de moeizame diplomatieke weg de enige is, omdat alle alternatieven (ingrijpen, wapens leveren aan de oppositie) het reële gevaar met zich meebrengen dat de situatie alleen nog maar verder uit de hand loopt.

De afgelopen maanden is er veel afgegeven op cynisme van Poetins Rusland – en daar is alle reden toe. Rusland is een belangrijke wapenleverancier van het Syrische regime. En dat de Russische vloot Syrische havens mag gebruiken, is voor Moskou van grote strategische waarde. Maar er speelt meer voor Moskou. Het is óók een groot Russisch belang om te voorkomen dat onbeheersbare chaos zich van de regio meester maakt.

Dat is ook een Amerikaans, Europees en Midden-Oosters belang. Hoe afschuwelijk bitter dat voor de oppositie ook is, het betekent dat de repressie voortduurt, en dat de rebellen onder druk staan een dialoog met hun onderdrukker aan te gaan. Walgelijk en schandelijk? Maar waar.

Juurd Eijsvoogel