Franse troepen naar opstandig Algerije

‘Franse landingen op de Algerijnse kust’ , opende het Algemeen Handelsblad op donderdag 29 maart 1956. De troepenversterking met commando’s van de Franse marine en het Vreemdelingelegioen, twee dagen eerder, markeerden een escalatie in de Algerijnse (burger-) oorlog die Frankrijk ruim vijftig jaar geleden aan de rand van de afgrond bracht. Het Handelsblad meldt op 27 maart al op de voorpagina tweespalt in de door socialisten gedomineerde Franse regering. „Het is te begrijpen dat de te nemen dringende militaire maatregelen op grote schaal de socialistische ministers voor pijnlijke gewetensproblemen stelt,” schrijft de correspondent in Parijs.

Frankrijk was twee jaar eerder Indochina kwijtgeraakt. Maar dat was voor veel Fransen minder traumatisch dan het verloop van ‘Algerije’ zou worden. Historicus H.L. Wesseling schrijft in zijn recente biografie over Charles de Gaulle (‘De man die nee zei’): „Algerije was dichtbij, er woonden veel Fransen, het was geen kolonie maar een deel van Frankrijk en de oorlog werd er niet alleen gevoerd door beroepsmilitairen maar ook door dienstplichtigen. Vrijwel het hele Franse volk was er op een of andere manier bij betrokken”.

Vanaf 1956 ontaardde de Algerijnse oorlog steeds verder in een vuile oorlog op ongekende schaal. Algerijnse verzetsstrijders stonden tegenover (Franse) bezetters, maar ook Algerijnse radicalen tegenover Algerijnse gematigden, en Franse Algerijnen (pieds noirs) en hun militaire sympathisanten tegenover politici die Algerije los wilden laten.

De Gaulle was de sterke man die het vaderland (opnieuw) redde. In 1959 werd hij president van de door hem gemodelleerde Vijfde Republiek. „Ik begrijp jullie”, zei hij op bezoek in Algerije tegen de Fransen daar. Maar al snel werd duidelijk dat de generaal voor de meest realistische optie koos. In 1962 werd Algerije onafhankelijk, op 19 maart.