Dreigende taal van Brussel maakt geen indruk

Cijfers over de wereldeconomie zijn er dagelijks. Het verhaal daar achter vertellen onze correspondenten, elke maandag vanuit een ander land. Vandaag: Hongarije.

Hongaarse politici doen graag een beetje nonchalant over de instrumenten van de Europese Unie om verandering af te dwingen. Tegen Hongarije zijn net twee inbreukprocedures gestart, een instrument waarmee de Europese Commissie probeert een EU-lid te disciplineren.

Ach, weet u wel hoeveel van dat soort procedures er lopen, vraagt de staatssecretaris voor Nationale Economie, Zoltán Cséfalvay, aan buitenlandse journalisten. Honderden! En hoeveel daarvan tegen grote landen, zoals Frankrijk? Precies: veel. Hij laat zijn blik langs zijn gehoor gaan om te zien of dat wel doordringt.

De staatssecretaris vervolgt. Weten de verslaggevers wel dat een van de vele procedures te maken heeft met het nog niet goed in de Hongaarse wet opnemen van bepalingen met betrekking tot zeehavens? De connotatie is duidelijk. Het Balatonmeer is niet bepaald de Adriatische Zee. „Als we ons huiswerk doen is dit alles in twee maanden voorbij.”

De dreigende taal van Brussel (over justitie, databescherming en centrale bank) glijdt van Hongaren af als water van een eend. In het enthousiasme waarmee ze hervormen zijn ze wat doorgeschoten, dat willen ze best even rechtzetten als Europa dat zo belangrijk vindt.

Ook het mogelijk verlies van een half miljard euro aan EU-subsidies als het begrotingstekort niet snel wordt weggewerkt, wimpelt Cséfalvay weg. Het gaat maar om een half procentpunt van het bruto binnenlands product. „We hebben dat al opgelost. Geen gevaar.”

De EU, dat is politiek, dat zijn spelletjes, dat zijn de grote tegen de kleine, de rijke en sterke tegen gemakkelijke prooi Hongarije (tien miljoen inwoners). Er is maar een ding waar niemand geringschattend over doet. En dat is de wisselkoers.

Als de forint verzwakt ten opzichte van de euro of de Zwitserse frank, dan voelen Hongaren dat onmiddellijk. Ongeveer een miljoen huishoudens hebben een lening in buitenlandse valuta. Verslechtert de koers dan schieten hun maandlasten omhoog. Dat beperkt de speelruimte van de regering.

Het vertrouwen van beleggers in de Hongaarse staatsfinanciën is gering. De huidige regering trof talloze maatregelen waar investeerders niet van houden, waaronder nationalisatie van pensioenfondsen en belastingverhoging voor banken.

In november zag de regering zich door de snel verslechterende koers gedwongen gas terug te nemen en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) te vragen of het bereid is in geval van nood krediet te verstrekken. Helaas voor de regering, weet ook de Europese Commissie wat voor gevoelig instrument de koers is. En de EC en het IMF trekken gelijk op: onderhandelingen met het IMF beginnen pas, als de EC groen licht geeft.

Hoewel de wisselkoers opveerde nadat de regering verklaarde IMF-steun te zoeken, leidt het al maanden uitblijven van echte onderhandelingen inmiddels tot speculaties. Wil Hongarije wel, of probeert de regering het uit te zingen tot de economische crisis is bezworen?

Politici houden niet zo van zulke vragen. „We zijn in gesprek, niet in onderhandeling”, is de formulering van Cséfalvay. Hij haast zich eraan toe te voegen dat Hongarije geen geld wil, alleen „een vangnet”, omdat dat lenen goedkoper maakt.

De officiële procedures van de EC maken wellicht weinig indruk. En Hongaren weten als weinig anderen dat de financiële markten zo veranderlijk zijn als het weer. Maar het IMF heeft geen haast. Het verklaart waarom de Hongaarse regering opeens een stuk luchtiger doet over EC-eisen, dan een half jaar geleden. Groen licht van de EC komt er pas als Hongarije, zoals Cséfalvay het zelf noemt, zijn huiswerk heeft gedaan.

Marloes de Koning