De dag dat de lente begon in Syrië

Maarten Zeegers studeerde in Syrië, toen er opstand uitbrak tegen president Bashar al-Assad. Hij deed verslag in NRC Handelsblad, tot hij in juli 2011 het land werd uitgezet. In zijn boek over de opstand wil hij „in het ‘lichaam’ van de Arabieren kruipen”. In dit fragment beschrijft hoe het protest begint en hoe hij daarbij Sarah ontmoet, zijn latere geliefde.

Na een lange, natte winter is in Damascus eindelijk de lente begonnen. De dagen worden weer langer en de zon brengt een aangename warmte in de huiskamers, waar de bewoners hun dieselkacheltjes opbergen tot de volgende winter.

De geur van jasmijn en limoen vult de straten en in de vruchtbare vallei rond de rivier de Barada staan de amandel- en abrikozenbomen volop in bloei. Het nieuwe jaargetijde zal de geschiedenis in gaan als de ‘Arabische Lente’, een seizoen vol regionale politieke onrust en veranderingen.

De uitlopers van deze lente begonnen niet in Syrië, maar in de Tunesische hoofdstad Tunis, duizenden kilometers verwijderd van Damascus. Op 17 december 2010 stak daar een straatverkoper zichzelf in brand, nadat de politie zijn koopwaar in beslag had genomen omdat hij geen vergunning had. Zijn wanhoopsdaad vormde de aanleiding voor massale protesten tegen de slechte leefomstandigheden in Tunesië, de wijdverbreide corruptie en onderdrukking door de overheid. De betogers eisten het aftreden van de president, die enkele dagen later met de staart tussen de benen het land ontvluchtte. De demonstraties sloegen over naar Egypte, Jemen en Libië. Het leek slechts een kwestie van tijd voordat ook Syrië zou worden mee gesleurd in de golf van protesten in het Midden-Oosten.

De Syrische oppositie riep 4 februari via sociale media als Twitter en Facebook uit tot ‘Dag van de Woede’. De oproep had op straat echter nauwelijks weerklank. Het deed veel politieke analisten geloven dat een opstand in Syrië niet van de grond zou komen.

Een incident op 17 februari op de Souq Hamidiyya maakte echter duidelijk dat ook Syrië een tikkende tijdbom was. Nadat de politie een winkeleigenaar op de souq in elkaar had geslagen, ontstond een opstootje. Enkele honderden mannen riepen dat het Syrische volk zich niet langer zou laten vernederen. Nerveuze veiligheidsagenten infiltreerden de spontane demonstratie en overschreeuwden de menigte met lofprijzingen aan de president.

Een maand later verzamelde een groep activisten en familieleden van politieke gevangenen zich voor het ministerie van Binnenlandse Zaken. Zij eisten de vrijlating van alle politieke gevangenen, alsmede het opheffen van de noodtoestand, die al sinds 1962 van kracht is en de veiligheidsdiensten vrij spel geeft. Opnieuw namen agenten van de mukhabarat de demonstratie over en betuigden hun ‘trouw en liefde’ aan de president.

Tientallen demonstranten waren met geweld opgepakt; zelfs een vrouwelijke activist was mishandeld en meegenomen. Via internet riep de oppositie op tot nieuwe protestacties, die na het vrijdaggebed in de moskeeën zouden moeten beginnen. De grote Omayyadenmoskee in het hart van de oude binnenstad was daarvoor een logische plek.

Onrust en chaos

„Allahu akbar, Allaaaa-hu akbar”, galmt het door de gebedshal van de Omayyadenmoskee. Zoals elke week roept de muezzin van de belangrijkste moskee van Syrië de gelovigen rond het middaguur op tot het vrijdaggebed. Deze keer is echter anders dan andere weken. De spanning onder de aanwezigen in de gebedsruimte is haast tastbaar; iedereen voelt dat er iets staat te gebeuren.

Ik woon ongeveer één keer per maand in deze moskee de preek bij en vandaag zit ik in kleermakerszit achter in de zaal, niet ver van het graf van Johannes de Doper (in de islam beter bekend als de profeet Yahya). Om mij heen zitten opvallend veel mannen gekleed in trainingspak of spijkerbroek. Klaar om in te grijpen.

Het is doodstil wanneer de sjeik het spreekgestoelte beklimt. Vandaag is het de beurt aan een hoge functionaris van het ministerie van Religieuze Zaken. Wanneer de preek begint, wordt het al snel duidelijk dat de autoriteiten de man goed hebben geïnstrueerd. Streng kijkt de sjeik de gebedshal rond. „Damascus is een stad door God gezegend met vrede en veiligheid”, waarschuwt hij met een vinger in de lucht. „Zij die fitna zaaien in onze samenleving, zullen de straf van God niet ontlopen.” Het meest gebruikte argument van de geestelijkheid tegen de demonstraties is dat zij zouden leiden tot fitna, in de islam een nog grotere zonde dan moord. De term fitna verwijst in het Arabisch allereerst naar onrust en chaos in de samenleving, maar in een nauwere betekenis slaat de term op geweld tussen religieuze minderheden.

De aan de overheid gelieerde geestelijken halen verzen uit de Koran aan om de gelovigen te verbieden deel te nemen aan de demonstraties. Blijf thuis en wees trouw aan het gezag, luidt hun boodschap. Een regeringsgetrouwe sjeik vaardigde onlangs een fatwa uit dat demonstraties haram (verboden) zijn, omdat ze een imitatie zouden zijn van westerse gewoontes die niet passen binnen de islam. Ook de invloedrijke sjeik Bouti had kritiek op de demonstranten en vond het ongepast dat de betogers de moskee hadden uitgekozen als platform voor de protesten. Misschien had sjeik Boeti niet door dat de grootste tegenstanders van het regime zich onder zijn eigen gehoor bevinden: de conservatieve sunnitische moslims, die elke dag in de moskee bijeenkomen.

De betogers hebben verder ook weinig keus. Volgens de noodtoestand is het al illegaal wanneer er in het openbaar meer dan vijf mensen bij elkaar staan. Het vrijdaggebed is dan ook de enige mogelijkheid om bijeen te komen zonder dat de politie hier direct tegen optreedt.

Het regime wil het volk laten geloven dat de demonstranten de samenleving ontwrichten door de verschillende bevolkingsgroepen (sunnieten, christenen, alawieten) tegen elkaar op te zetten. Ze zouden aansturen op een burgeroorlog. Op recent geplaatste billboards in Damascus staat de onheilspellende boodschap: „Wees op uw hoede voor de tekenen van fitna en schakel ze uit.”

Onlangs verspreidde het regime het gerucht dat een voertuig met explosieven was aangetroffen bij een belangrijke kerk, wat leidde tot grote paniek bij de christelijke gemeenschappen. Met een burgeroorlog in Libanon nog in het geheugen en aanhoudend sektarisch geweld in Irak zit de schrik er bij velen goed in.

„En dan die berichten op Facebook”, gaat de religieuze spreekbuis van het regime in de moskee verder. „Weten jullie wel wie die berichten sturen? Dat zijn buitenlandse saboteurs en zionistische spionnen die Syrië willen verzwakken. Wat is immers het enige land dat onderdak biedt aan Hamas? Wat is het land dat het islamitische verzet in Zuid-Libanon steunt? Onze vijanden willen ons land vernietigen en de islamitische zaak ondermijnen. O gelovigen, onze president heeft deze week hervormingen aangekondigd: inkorting van de dienstplicht, verhoging van de salarissen van ambtenaren, amnestie voor politieke gevangenen. En dit is nog maar het begin. Hierna komt wellicht de afschaffing van de noodtoestand, vrije verkiezingen en een nieuwe grondwet. Wij moeten de hervormingen eerst een eerlijke kans geven. Wij moeten vooral geduld betrachten!”

Vuile leugenaar

Dan gaat het plotseling heel snel. Rechts achterin de moskee klinkt geschreeuw: „God, Syrië, vrijheid. God, Syrië, vrijheid.” Iedereen springt op om te kijken wat er aan de hand is. Er ontstaat paniek en mensen rennen in de richting van de betogers. Enkele jongens halen hun telefoon tevoorschijn om de gebeurtenissen met de camera vast te leggen.

De sjeik kijkt wanhopig om zich heen. „Gelovigen”, smeekt hij tevergeefs. „Blijf hier, geef niet toe aan fitna.” Niemand luistert. Een man met grijze baard en een groene doek om zijn hoofd wijst naar de sjeik die nog steeds boven aan het spreekgestoelte staat. „Kom naar beneden dan, vuile leugenaar.” De sjeik wordt lijkbleek en zakt door zijn knieën.

Veel kans krijgt de betoging niet. Meer dan de helft van de aanwezigen in de moskee blijken veiligheidsagenten in burgerkleding, uitstekend voorbereid op een dergelijk scenario.

Een jongen achterin krijgt klappen en wordt tegen de grond gewerkt. De sjeik op de preekstoel wijst naar de man die hem zojuist bedreigde. „Dat is een van hen”, gilt hij uit. In een mum van tijd zijn de meeste betogers ingerekend en afgevoerd naar een kamertje naast de ingang van de moskee. De mannen binnen scanderen alleen nog maar de naam van de president. „God, Syrië, Bashar. God, Syrië, Bashar.”

Na enkele minuten verlaten de agenten de gebedshal. „Het gebed!” roept een man vertwijfeld uit die kennelijk als een van de weinigen naar de moskee was gekomen om daadwerkelijk te bidden. Van de aanwezigen is nog amper een derde over. De overgebleven gelovigen stellen zich op in rechte rijen en met trillende stem gaat de sjeik hen voor in het gebed.

Op weg naar buiten loop ik de jongen tegen het lijf die ik op de eerste dag van mijn verblijf in Damascus tegenkwam bij de vertoning van een documentaire over demonstraties in Birma. Hij beweert een van de demonstranten te zijn. „Wat doe jij hier?” sist hij me toe. „Je bent toch geen problemen aan het maken? Ik zou maar uitkijken als ik jou was.” Dan verdwijnt hij in de menigte. Buiten op het plein voor de moskee hebben de mannen van de president de regie stevig in handen. „Ons bloed en onze ziel voor onze leider Bashar,” zwepen zij de mensen op. Zij zwaaien met vlaggen en andere nationale symbolen. De meeste omstanders kijken zwijgend toe.

Wanneer iedereen de moskee verlaten heeft, gaan de deuren op slot. Enkele minuten later stopt een onopvallend wit busje voor de deur, en een aantal louche figuren met leren jassen stapt uit. De gearresteerde demonstranten die nog steeds in het kamertje bij de ingang van de moskee worden vastgehouden, zullen het nog zwaar te verduren krijgen.

Ik draai mij om en loop weg van de schreeuwende menigte. Bij de ingang van de Soek Hamidiyya staat een jonge vrouw met betraande ogen tegen een pilaar geleund. Ze draagt een broek en een T-shirt met korte mouwen. Ik stap op haar af en ga naast haar staan. „Waarom huil je?” vraag ik. „Ik wil dit niet”, snikt ze, terwijl ze wijst naar de menigte die nog steeds de naam van de president scandeert. „Ik wil niet dat mijn land in handen is van dit soort mensen. Ik wil mijn land terug.”

„Kom mee”, zeg ik tegen haar. „Het is beter dat ze jou hier niet zien huilen.” Het meisje veegt de tranen uit haar ogen. Vragend kijkt ze me aan. „Naar Bakdash”, zeg ik. „Dan trakteer ik jou daar op een ijsje.”

Dit is een voorpublicatie van het boek Wij zijn Arabieren, Portret van ondoordringbaar Syrië van Maarten Zeegers dat volgende week verschijnt bij uitgeverij Podium