Dankzij hulp kan elite het parlement negeren

Weinig landen houden nog vast aan 0,7 procent van het nationaal product voor ontwikkelingshulp. Het is een illusie van Bill Gates dat miljardenstromen alles oplossen, vindt Arend Jan Boekestijn.

Illustratie Angel Boligan

Tweehonderd jaar geleden was iedereen die niet tot de elite behoorde zo arm als een kerkrat. Een halve eeuw geleden was eenzesde van de wereld rijk en vijfzesde arm. Tegenwoordig leeft 80 procent van die vijfzesde in snel groeiende landen. In een kleine halve eeuw zijn de verhoudingen dus omgedraaid: niet meer vijfzesde van de wereldbevolking is arm, maar eenzesde. De vraag is natuurlijk waaraan deze vooruitgang te danken is.

Volgens Bill Gates is deze ontwikkeling te danken aan ontwikkelingshulp. Dat dachten economen in de jaren zestig ook. Arme landen waren arm omdat er eenvoudigweg te weinig besparingen waren om te kunnen investeren. De remedie was simpel. Het rijke Westen moest het tekort aan besparingen compenseren met hulpgelden en alles zou goed komen. Op basis van een eenvoudig model werd in 1970 vastgelegd dat elk rijk land 0,7 procent van zijn bruto nationaal product zou moeten geven aan arme landen.

In het begin hielden de meeste landen zich aan deze afspraak, maar toen na tien jaar bleek dat de hulp zich niet in duurzame groei vertaalde, waren er steeds meer afvallers.

Nederland hield echter vol, samen met een handvol andere kleine landen. Als arme landen niet of nauwelijks groeiden, kwam dat vast doordat andere landen niet zo veel hulp gaven als wij. Met de populaire zanger Bono riepen wij dat het hulpbedrag gewoon omhoog moest. De 0,7 werd een sacrosanct percentage.

De andere landen waren niet onder de indruk. Zij vonden dat armoede voortkwam uit slecht bestuur en stelden voor om alleen nog hulp te geven aan landen die een goed beleid voerden. Er ontstond een patstelling. Landen met goed bestuur hadden eigenlijk onze hulp niet nodig, maar in landen met slecht bestuur richtte hulp weinig uit.

Nederland bleef echter een trouwe aanhanger van de 0,7-procentreligie. Dit was vreemd. De wereld van 1970 is totaal onvergelijkbaar met de huidige. Tegenwoordig zijn bijvoorbeeld de besparingen in arme landen veel hoger dan in 1970. Als men dus het model van de jaren zeventig serieus zou nemen, zou men de hulp drastisch moeten verlagen. Ook andere gelden, zoals exportinkomsten, buitenlandse investeringen en geld dat familieleden in het Westen naar huis overmaken, zijn veel belangrijker geworden.

Er gebeurde nog iets interessants. Azië en China bewezen dat de ontwikkeling niet hoeft te worden bepaald door de geografie of de geschiedenis van een land, maar dat het ook kan door verstandige beleidskeuzes en economische vrijheid voor de plattelandsbevolking. Afrika moet die stap nog zetten, maar groeit dankzij de grondstoffenbonanza en minder oorlogen tegenwoordig wel met gemiddeld 6 procent – ondanks de afname van de hulpstromen sinds de financiële crisis in het Westen.

In deze context is niet te verwachten dat het percentage van 0,7 heilig blijft. China, India en Brazilië kiezen hun eigen weg. Hoe kan de organisatie voor rijke landen, de OESO, allerlei politieke voorwaarden blijven stellen aan hulp als China geen lastige vragen stelt bij het geven van geld? De OESO heeft al aangekondigd in 2015 met een review te komen.

Hulp van regeringen aan regeringen heeft haar langste tijd gehad. Waarom zouden we doorgaan om met begrotingssteun corruptie te stimuleren en democratisering te ondermijnen? Hulpgeld vermindert immers de prikkel om belasting te heffen in het ontvangende land. Hierdoor hoeft er minder rekening te worden gehouden met het parlement. Het gaat erom de juiste mensen met de juiste expertise en het juiste geld aan tafel te krijgen en een gemeenschappelijke inzet af te spreken. Bilaterale hulp loopt op zijn laatste benen.

Belangrijk is ook bescheidenheid. Het beleid moet voortdurend worden aangepast aan lokale omstandigheden. Onafhankelijke evaluatie is cruciaal. Grote miljardenfondsen, zoals het Global Fund, hebben los van hun successen te veel corruptie gestimuleerd. De door Gates gesponsorde GAVI Alliance, die zich bezighoudt met vaccinatie, is een fantastische organisatie, maar farmaceutische belangen en hulpefficiëntie verdienen een zorgvuldige afweging.

Bill Gates denkt, net als econoom Jeffrey Sachs, dat miljardenstromen alle problemen oplossen. Was het maar waar. Zelfredzaamheid bevorderen is lastig. Wat doen Afrikaanse regeringen als het Westen gezondheid, onderwijs en veiligheid in Afrika financiert? Nemen zij het straks over?

Ontwikkeling ontstaat pas als het zin heeft om iets op te bouwen, omdat er geen roofzuchtige elite is die alles afroomt. Instituties zijn cruciaal, maar die kunnen niet worden opgelegd. De elite zal echt niet voor een paar hulpstuivers zijn aantrekkelijke positie opgeven. Dat zal ze alleen doen als er revolutie dreigt. Hulp speelt nauwelijks een rol.

Moeten we dan maar stoppen met hulp? Nee, laten we publiek-private samenwerking tot stand brengen op het gebied van landbouw, irrigatie, en misschien goed bestuur. Waar de markt faalt, kan ontwikkelingshulp eventueel een rol spelen – en dan alleen als er vraag naar is. Onderwijs, onderzoek en gezondheidszorg blijven belangrijk. Zet alle blauwdrukdenkers buiten de deur. Laat burgers de niet-gouvernementele organisaties financieren. Besef dat kennis belangrijker is dan geld. En gooi het heilige percentage overboord.

Arend Jan Boekestijn is verbonden aan de Universiteit Utrecht, was tussen 2006 en 2009 Tweede Kamerlid voor de VVD en is auteur van De prijs van een slecht geweten.