Seks bestond niet voor het katholieke seminarie

Het seksuele misbruik in katholieke instellingen werd bevorderd door kille onderdrukking, taboe op contacten en seksualiteit, waar niet over kon worden gepraat, vertelt Mathieu Geurts over zijn seminarietijd.

Van 1949 tot 1958 verbleef ik op een seminarie. Ik ben geen slachtoffer van seksueel misbruik, maar ik volg met meer dan gewone belangstelling de onthullingen. Ik heb dus geluk gehad, maar betekent dit ook dat ik ongeschonden door deze periode ben gekomen? Hoe meer ik eraan terugdenk, hoe meer ik moet vaststellen dat deze negen jaren een enorme invloed op mijn leven hebben gehad. Ik wil geen competitie starten over de vraag wie het meest onder wat geleden heeft. De dramatische gevolgen van seksueel misbruik zijn te groot om in concurrentie te brengen met andere traumatische ervaringen. Toch wil ik aandacht vragen voor ‘wat er nog meer aan de hand was’. Tegen deze achtergrond is het seksueel misbruik beter te begrijpen.

Als eerste was er de affectieve verwaarlozing. Jonge kinderen die vaak nog nooit één nacht van huis waren geweest, kwamen terecht in een omgeving die gekenmerkt werd door emotionele steriliteit. Na vier maanden mocht je voor het eerst even naar huis. Eigenlijk mocht je niet eens meer kind zijn. Heimwee moest je ’s nachts onhoorbaar weghuilen.

Ik weet wel dat gezinnen toen ook niet altijd oorden van paradijselijk geluk waren. Maar als kind kon je vaak rekenen op de veiligheid en geborgenheid die je vond bij je vader of moeder, op de steun van een oudere broer of zus of op de intimiteit van een vriendschap met een jongen of meisje uit je buurt.

Deze emotionele schil om je heen ontbrak op het seminarie totaal. Je was er met velen, maar eigenlijk was je alleen. Voor kinderlijk verdriet, eenzaamheid of kwetsbaarheid was geen oog. Nee, je was ‘geroepen’ voor een grote toekomst, je was door God ‘uitverkoren’ voor een belangrijke missie. Daar moest je dankbaar voor zijn en je moest die status verdienen door te studeren (en veel te bidden!) en verder op te gaan in het collectief.

Daarbij kwam een volledige ontneming van je privacy. Alle post die je verstuurde, moest in een open enveloppe in de brievenbus gedeponeerd worden en alle post die je ontving was geopend. Telefoon was nog niet voor leerlingen.

Natuurlijk zal pater overste niet iedere dag al die onnozele briefjes hebben zitten lezen, maar je wist wel dat alles gelezen kón worden. Dat was voldoende om je ervan te weerhouden iets te schrijven wat tegen je gebruikt kon worden. En dan nog gebeurde het regelmatig dat een leerling bij pater overste moest komen om zich te verantwoorden voor wat hij geschreven had. Zo werd in elk geval het beeld in stand gehouden dat alle post gecontroleerd werd.

Navrant in het licht van de huidige onthullingen was de ontkenning van lichamelijkheid en seksualiteit. Het feit dat je als mens een lichaam hebt (Franciscus noemde het lichaam broeder ezel!) was eigenlijk een belemmering voor de ontwikkeling van je geestelijk leven. Veel (en het was al gauw té veel) bezig zijn met lichamelijke genoegens leidde enkel af van waar het werkelijk om ging. Er heerste een verkrampte aandacht voor de gevaren van je lichamelijkheid en seksualiteit.

Daarbij kon de verwarring soms hard toeslaan. Het kwam natuurlijk voor dat je ’s nachts een zaadlozing had (in de verhullende taal van toen heette dat een ejaculatio nocturna), maar je wist in je slaperigheid niet helemaal zeker of je daarbij misschien toch een handje geholpen had en eigenlijk was het ook wel een lekker gevoel geweest. En dus was de vraag of je nu wel of niet een zonde begaan had.

Het verschijnsel ‘vrouw’ bleef helemaal achter een verre horizon verscholen (op twee nonnen na die in de keuken werkten, gehuld in een grijs boerka-achtig pantser waar een vrijwel vormeloos lijf in verpakt was). Tijdens de maandelijkse bezoekdag ving je wel eens glimp op van een zusje van een medeleerling. Dat was soms al genoeg om je fantasie te prikkelen, die je vervolgens met een meditatieve inspanning weer moest zien in te dammen.

De ontwikkeling van affectiviteit werd systematisch onderdrukt. Ik wil affectiviteit definiëren als het vermogen om lief te hebben. Maar op het seminarie ging het eerder om onthechting: niet alleen de verbinding met je dierbaren thuis werd ontregeld, op het aangaan van een verbinding met een van je medeleerlingen rustte een zwaar taboe. Het adagium was: Numquam duo, semper tres. Oftewel: nooit met z’n tweeën, altijd met z’n drieën, om daarmee het gevaar op het ontstaan van ‘bijzondere vriendschappen’ de kop in te drukken. Er heerste een verbod op hechting.

Waar het in wezen op neerkwam, was een onderdrukking van je identiteit en autonomie. De derde gelofte die iedere kloosterling moest afleggen, was de gelofte van gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid was cruciaal voor de instandhouding van het systeem. Als leerling op het seminarie en later nog meer in het noviciaat en scholastikaat moest je gekneed worden in die deugd.

Een seminarie is in zekere zin te vergelijken met een chemisch laboratorium. Daar wordt gewerkt aan het versterken van bepaalde gewenste eigenschappen van stoffen en het onderdrukken van ongewenste eigenschappen. In dit ‘sociaal laboratorium’ werd ook gewerkt aan het onderdrukken van eigenschappen als zelfstandigheid, autonomie, trots en zelfverzekerdheid, terwijl eigenschappen als volgzaamheid, onderdanigheid, gehoorzaamheid, nederigheid en bescheidenheid werden aangemoedigd.

Het leven op het seminarie in de jaren vijftig was ook volledig afgesloten van de buitenwereld. Televisie was er natuurlijk nog niet, maar we hadden ook geen toegang tot krant of radio.

Een enkele keer lukte het iemand om met behulp van een kristalontvanger een radiozender op te vangen (overigens meestal niet veel meer dan wat krassende geluiden). Het enige venster op de wereld was wat we te horen kregen van onze leraren en op gezette tijden een verhaal van een missionaris op vakantie.

Omdat je totaal geen aansluiting had bij de wereld van je leeftijdsgenoten buiten, werd je wereldvreemd. Het kon zelfs gebeuren dat je blij was dat de vakantie voorbij was en je weer ‘terugmocht’ naar het seminarie. Die wereld kende je, daar was je thuis: een soort stockholmsyndroom avant la lettre.

Ik heb hierboven de dubieuze aspecten van het leven op het seminarie beschreven. Dit alles hing met elkaar samen, het was een systeem. Het machtsmisbruik, het seksueel misbruik, de vernedering, de ontmanning en de vervreemding van de wereld was niet het werk van een enkele verknipte geest, maar vormden structureel onderdeel van een systeem.

Daders van het seksueel misbruik waren (of zijn) natuurlijk individuen, maar ze werden niet alleen gefaciliteerd door het systeem door het uitblijven van interne sancties, het systeem bevorderde het verschijnsel. Het werd daar een vast onderdeel van.

Hoe harder jongens werd verboden om zich met seks of met elkaar bezig te houden, des te gemakkelijker reserveerden sommige paters dat als voorrecht voor zichzelf. Maar juist door het taboe op onderlinge toenadering werd wangedrag doodgezwegen. Zou je daarom ook niet moeten spreken van een schuldig systeem?

Dat wil overigens zeker niet zeggen dat ik alle vertegenwoordigers van dat systeem die ik als jonge jongen ontmoet heb, verdenk van criminele intenties. Ik heb begripvolle mensen en enthousiaste leraren gekend. En we moeten niet uit het oog verliezen dat deze mensen zelf tien of twintig jaar eerder ‘gevormd’ waren in hetzelfde rigide systeem. Je kunt zeggen dat zij tegelijkertijd slachtoffers en handhavers waren, in de meeste gevallen zonder zich dat zelf te realiseren. Hoewel ook dit weer niet moet worden opgevat als excuus voor individuele vergrijpen. Een kind aanranden of verkrachten is en blijft een misdaad.

Mathieu Geurts is 74 jaar en actief in diverse commissies binnen het maatschappelijk werk.