Op het nippertje ontsnapt aan de dood in Irak

Theater Microbioloog Salah Al-Zuhairy vluchtte uit Irak. Zijn verhaal en dat van andere wetenschappers is verwerkt tot een toneelmonoloog.

Bruno van Wayenburg

Nederland, Delft, 21 maart 2012 Microbioloog Salah Al-Zuhairy aan de TU Delft: een Irakese wetenschapper die in zijn thuisland vervolgd wordt en die nu in het kader van het 'Scholars at Risk programme' een tijdelijke functie aan een Nederlandse universiteit vervult. UAF 'Verboden wetenschapsmonologen'. Foto: Thomas Bokeloh

‘Hier ben ik geen Sunniet, hier ben ik geen Irakees, hier ben ik geen vluchteling. / Hier ben ik een wetenschapper. Veel van mijn landgenoten [...] trekken zich terug in een echo van vroeger. Ik niet. Ik heb de wetenschap. ’

Dit citaat komt uit De verboden wetenschapsmonologen, een theatervoorstelling die donderdag in première ging. De monologen zijn gebaseerd op interviews met vervolgde wetenschappers, zoals de Iraakse microbioloog Salah Al-Zuhairy (1963). Hij is sinds september 2011 verbonden aan de onderzoeksgroep milieubiotechnologie van de TU Delft: “Een wetenschapper hoort niet bij een land of een geloof, maar is in de eerste plaats wetenschapper.”

Al-Zuhairy is een vriendelijke man, die benadrukt dat zijn komst naar Nederland zijn redding is geweest. “Hier kun je in vrijheid denken, je kunt je uitdrukken en ideeën uitwisselen, de internationale stand van de wetenschap bijhouden. Er is hier apparatuur om je ideeën in de praktijk uit te proberen, er is stroom. In Irak kon ik helemaal niets.”

Waarom moest u vluchten?

“Na de oorlog in 2003 heb ik een eenvoudige en goedkope kit ontwikkeld waarmee mensen konden testen of drinkwater besmet was met bacteriën. Iraakse bestuurders zijn niet geïnteresseerd in dit soort vindingen. Ze hebben liever goederen uit het buitenland, omdat ze over de import commissies kunnen opstrijken.

„In 2008 kreeg ik er op een grote innovatiebeurs in Koeweit een prijs voor. Ik vermoed dat ik daardoor te veel aandacht getrokken heb. Op een ochtend werd ik geschept door een auto toen ik de straat overstak.

“Het was geen ongeluk: de bestuurder reed door, en in dezelfde periode zijn er aanslagen geweest op twee collega-wetenschappers: een daarvan heeft het niet overleefd. Honderden wetenschappers zijn al vermoord in Irak. Mijn vrouw raakte gewond bij een bomaanslag.

“Mijn familie heb ik naar Syrië gestuurd. Ikzelf begon steeds op andere tijden naar mijn werk te gaan, in onopvallende kleding, en – net als hier – op de fiets. Dat zou een Iraakse hoogleraar nooit doen.”

Wie doodt wetenschappers?

“De milities die dat doen, geven daarvoor geen verklaringen. Misschien wantrouwen ze ons als technocratische concurrenten om de macht. Misschien zien ze ons als goddeloos, hoewel ik zelf moslim ben. En ja, misschien zijn het mijn contacten met Amerikanen. Na de Amerikaanse inval, waar ik het overigens niet mee eens was, heb ik ook samengewerkt met Amerikaanse onderzoekers. Onder meer bij het Iraqi International Center for Science and Industry. Dat maakt je blijkbaar een verrader.”

Hoe gaat het nu hier?

“Ik probeer te wennen aan de apparatuur en de mensen. Ik doe experimenten en metingen aan het Delftse waterzuiveringsproces Nereda, met bacterievlokken in plaats van een vloeibare slurry om het water te zuiveren. En ik werk aan een voorstel om te onderzoeken in hoeverre cellulose in rioolwater, vooral wc-papier, teruggewonnen kan worden, en gebruikt als biobrandstof of -gas.

“Maar ik probeer vooral te wennen aan hoe dingen hier lopen, hoe mensen hier denken. Ik probeer zoveel mogelijk lezingen bij te wonen, en deel te nemen aan discussies over het onderzoek. Het gekke vind ik dat je hiervoor niet uitgenodigd hoeft te worden: je moet jezelf uitnodigen. Ondenkbaar in Irak. Net als elkaar aanspreken met de voornaam; ik ben blij af en toe mijn naam te horen.”

Wat onderzocht u in Irak?

“In de jaren zeventig, toen ik op de middelbare school studeerde, lag het voor de hand dat ik daarna via de universiteit onderzoek zou doen in Europa of de VS zou werken. Maar kort na mijn eindexamen gingen de grenzen dicht door de oorlog met Iran.

“Na mijn afstuderen heb ik eerst gewerkt aan bemestende bacteriën en biopesticiden: bacteriën om insecten te bestrijden. Bacillus thuringiensis, een prachtige bacterie, was daar heel geschikt voor. Maar een proeffabriek hiervoor werd in 1991 in de Golfoorlog vernietigd.

“Daarna heb ik aan eiwitproducerende bacteriën gewerkt. Die moesten alternatief veevoer opleveren tijdens de internationale sancties tegen Irak. Onderzoek doen was zwaar, we konden geen vakbladen lezen, en ook niet in het buitenland publiceren, laat staan erheen gaan.

“Zonder duidelijke reden werd ik op iets anders gezet: de industriële bacteriële productie van trehalose, een suiker die een rol zou kunnen spelen bij het langdurig opslaan van bloed. Daar ben ik op gepromoveerd in 2003. Maar tot een industriële toepassing is het niet meer gekomen. Irak was na 2003 geen geïndustrialiseerd land meer. De fabrieken waar het proces had moeten draaien, werden geplunderd en afgebroken.

“Ik stapte over naar kleinschalige biogasproductie uit afval en rioolwater. Een demonstratieproject in een boerengemeenschap werkte goed, maar bestuurders waren er niet dol op. ‘We hebben toch olie’, zeiden ze. Toen maakte ik die drinkwaterkit.”

U werkte ook voor de Iraqi Atomic Energy Commission, een organisatie die in verband gebracht is met het biologische wapenprogramma van Irak

“Dat programma viel onder een andere, strikt geheime afdeling. Maar soms, als ze bepaalde apparatuur nodig hadden, kwamen ze bij ons langs. Dan moesten we die spullen afstaan, of voordoen hoe je Bacillus thuringiensis op grote schaal kweekt en tot poeder droogt. ‘Maar het is toch onzin om al dat werk dubbel te doen’, zei ik toen. Het werd snel duidelijk dat ik daar beter geen vragen meer over kon stellen.

“Daarna bedacht ik dat Bacillus thuringiensis verwant is aan Bacillus anthrax, de miltvuurbacterie. Later kwamen VN-inspecteurs ernaar vragen. Ik heb me tegenover hen wel geschaamd. Maar zulke vermoedens uitspreken was verraad geweest. Dat had ik zeker niet overleefd.”

U blijft hier een jaar, en daarna?

“Er is kans dat er nog een jaar bijkomt. Over Irak, de positie van de wetenschap en mijn eigen veiligheid, ben ik niet optimistisch. Ik denk dat er na 2003 een kans is geweest om het land weer op te bouwen, maar die kans is gekomen en voorbijgegaan.

“Mijn vrouw en kinderen zijn nu blij dat we hier zijn. Veel verder wil ik niet denken. Misschien kan ik een andere positie vinden, hier of in een ander land. Ik vertrouw erop dat de mensen die ik leer kennen me niet zal laten zitten. Maar mijn idee om ooit nog in Europa te werken, is nu toch nog gelukt. Alleen een beetje laat, haha.”