Ontdek je passie, verwacht een burn-out

De ‘meerkeuzemaatschappij’ leidt tot stress, luidt de heersende opinie. De oplossing: ken jezelf, dan weet je wat je wil. En dus gaat iedereen op zoek naar zijn passie, maar het is juist die plicht tot passie die leidt tot een opgebrande samenleving, betoogt Coen Simon.

Op de middelbare school, eind jaren tachtig, kregen we uiteenlopende adviezen over een mogelijke vervolgopleiding. Op de reeks tegenstrijdige adviezen volgde steevast de afsluiting: „Als je maar doet wat je echt wilt.”

Daar zit je dan als zwabberende puber. Doen wat je wilt, klinkt heel vrij en ongedwongen, maar wat nu als je niet weet wat je wilt? Ik had dat probleem overigens niet, want ik wist wel wat ik wilde. Ik had een ander probleem, mijn lichaam wilde iets anders.

Ik stond net ingeschreven bij bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit toen ik aan een zware hardlooptraining een branderig gevoel in mijn achillespezen overhield. Met deze blessure kwam een einde aan een tamelijk serieuze sportperiode in mijn leven, waarin ik alles opzij zette voor een carrière in de triatlon. Maar van de een op de andere dag kon ik geen enkele sport meer beoefenen. Er werd me van alle kanten aangepraat dat ik in een depressie zou geraken als ik niet snel een andere hobby vond. En dus kocht ik een gitaar, een pakje shag, en liet ik mijn gemillimeterde sportkapsel uitgroeien tot op mijn schouders. De nieuwe identiteit verschafte me blijkbaar voldoende levenslust, want de dip bleef uit, maar bewegingswetenschappen studeren als je zelf nauwelijks kunt bewegen vond ik geen fijn vooruitzicht. Ik schreef me daarom, geheel in overeenstemming met mijn nieuwe levensstijl, in voor filosofie.

Achteraf zou ik niet willen dat het anders was gegaan, maar om nou te zeggen dat ik heb gedaan wat ik wilde lijkt me ook niet juist. Het overkwam me meer. En gelukkig maar, want het opvoeddogma dat voorschrijft dat je moet doen wat je wilt is zoals gezegd minder vrijblijvend dan het klinkt. Het betekent vooral dat je je suf moet zoeken naar wie je bent. Want als je weet wie je bent, zou je ook weten wat je wilt.

Deze mode van zelfverwezenlijking heeft de afgelopen twintig jaar helaas alleen maar aan populariteit gewonnen. Het onderwijs staat er bol van. Vanaf de basisschool tot aan de laatste nascholing dien je via reflectieverslagen en zelfwerkzaamheid te achterhalen wie je bent en wat je kunt, of zoals dat eigentijdser heet, wat je ‘competenties’ zijn. Want wie weet wat z’n competenties zijn, weet wat ’ie wil.

Achter dit idee gaat de misleidende vooronderstelling schuil dat ons ‘zelf’ en wat het wil los van de toevallige omstandigheden in kaart kunnen worden gebracht. Onze wil wordt voorgesteld als een willen van iets dat als een kop koffie voorhanden is. Iets dat we met meer of minder wilskracht kunnen bereiken.

Maar wat willen we eigenlijk als we iets willen? In beginsel niet iets. De wil is er al voordat we iets willen. Dat we nooit zonder wil zijn voelen we het meest als we ons vervelen. We willen heel graag iets om zin in te hebben. Volgens Arthur Schopenhauer, ‘de filosoof van de wil’, houdt het verlangen ons voor de gek: in de voorwerpen en voorstellingen die langskomen projecteren we onze ongerichte wil om vervolgens deze zaken zelf als de oorzaak voor ons verlangen te houden.

De hedendaagse opdracht om jezelf te kennen opdat je weet wat je wilt gaat voorbij aan deze werking van het verlangen. Wie zich de vraag stelt wat hij nu écht wil, stelt de wereld voor als een geordend geheel, als een etalage vol met waren die onze verlangens kunnen bevredigen. Maar de wereld biedt zich helemaal niet aan als een geheel, maar als een onoverzichtelijk en diffuus iets, waar wij zelf telkens opnieuw een voorlopige vorm of zin aan geven. Meer dan op een etalage lijkt zij op een dansvloer die ons weliswaar uitdaagt hem te betreden, maar ook afschrikt door de vele en vooral voortdurend wisselende aanknopingspunten. Er zijn talloze manieren om de vloer te betreden, maar zelden zijn de aanknopingspunten eenduidig en concreet.

Desondanks moedigt de hedendaagse loopbaanadviseur zijn cliënten op hun zelfqueeste juist aan te ‘concretiseren’ en te ‘visualiseren’. Hij vraagt de vertwijfelde zoeker ‘waar hij wil zijn over vijf of tien jaar’, alsof hij hem vraagt wat hij wil eten. En hij verklaart diens vertwijfeling en de toename van het aantal burn-outs met de cultuurdiagnose dat er vandaag de dag wel érg veel op het menu staat.

Vroeger was het eenvoudig, beweert ook Nienke Wijnants, psycholoog, loopbaanadviseur en auteur van de bestseller Het dertigersdilemma (2008): „Op tv keek je naar Nederland 1 of 2, op het strand kreeg je een Raket of een Cornetto en je ouders bepaalden (meestal) wat je aanhad.” Maar de ‘meerkeuzemaatschappij’ zou ons nu continu dwingen uit een eindeloze hoeveelheid mogelijkheden te kiezen. En „het continu moeten kiezen kan leiden tot een hoop stress”. Bij het lezen van zo’n zin krijg je het al bijna benauwd en neem je je stellig voor om het ook eens wat rustiger aan te gaan doen. Door het aangewakkerde verlangen naar eenvoud met het onweerstaanbare beeld van Raketten en Cornetto’s twijfelen we geen moment aan de algemene verklaring van de toename van burn-outs: alle stress en crises van midlife- tot de zogenaamde quarterlifecrisis, het lijkt allemaal terug te voeren op het probleem van een te grote keuze.

Maar het is pure nostalgie om te denken dat een mens ooit de wereld als overzichtelijk heeft ervaren. Ver voor de tijd van de burn-outs schoot de mens bijvoorbeeld op grote schaal in de stress van het hellevuur. Nog eerder vergeleek Heraclitus (500 v.Chr.) de wereld met een stromende rivier, die al bij het betreden ervan niet meer dezelfde was. En vlak voor de tijd van de Raketten en Cornetto’s stelde Schopenhauer al ijskoud vast dat ook de juiste keuze altijd op ontevredenheid uitloopt.

Maar over Wijnants weinig originele oplossing voor dit grootschalige maatschappelijke probleem lijkt desondanks consensus te bestaan: je moet erachter komen wie je bent, zodat je naar dit authentieke zelf kunt leven. „Want uit onderzoek blijkt: authentieke mensen maken makkelijker keuzes, zij weten wie ze zijn, wat daarbij past en durven daarvoor te kiezen.” Omdat authenticiteit als de oplossing voor het probleem wordt gepresenteerd ontglipt het aan de aandacht dat het gebod om jezelf te leren kennen ook wel eens de oorzaak van stress zou kunnen zijn. De toename van het aantal burn-outs houdt dan misschien gelijke tred met het vermeende complexer worden van onze ‘meerkeuzemaatschappij’, maar correleert evengoed met de bijna religieuze plicht tot zelfverwezenlijking.

Veelzeggend in dit verband is het hedendaagse gebruik van het woord passie. Iets leuk vinden is niet meer genoeg. Het moet je passie zijn. Zingen, koken, gitaarspelen, hardlopen, of televisiekijken: het kan allemaal je passie zijn. Passie is het nieuwe hobby. En al lijkt het een onschuldig synoniem, er treedt een kleine kwaadaardige betekenisverschuiving op in dit taalgebruik. Een hobby (afkomstig van hobbelpaard) is een tijdverdrijf dat juist wordt gekenmerkt door een zekere mate van nutteloosheid en precies daarom in staat is het dagelijkse regime van economisch nut te onderbreken. Een passie daarentegen (rechtstreeks afkomstig van je hoogst eigen ziel) is het sluitstuk van zelfverwezenlijking: geen onderbreking van het nuttige, maar de vervolmaking van het nut.

Op de website van Psychologie Magazine legt ‘Sjaak’ in een vragenrubriek zijn probleem voor aan een webpsycholoog: „Hoe vind ik mijn passie? Ik zou zo graag een passie/hobby willen hebben, waar ik echt plezier in heb en voldoening uit haal. (…) Mijn werk is aardig, maar ik haal er niet echt voldoening uit. (…) Mijn vrije tijd besteed ik aan nutteloze dingen.” Sjaak krijgt advies: je passie vinden lukt het best „als je van jezelf weet wat voor jou belangrijk is, wat je drijfveren zijn”.

Hoewel passies van oudsher verwijzen naar de hartstochten die onze ziel in beweging brengen en dienovereenkomstig duiden op de passiviteit van onze gemoedsbewegingen, wijst het tegenwoordige gebruik van passie juist op activiteit, op aanpakken.

Het zal voor deze aanpakkers moeilijk voorstelbaar zijn dat ook luiheid in de zeventiende-eeuwse ogen van bijvoorbeeld Descartes, Gracián en Rochefoucauld een passie is. Want vandaag geldt: willen is kunnen. Deze mantra is niet alleen het leidende principe van het wereldwijde zelfhulpsucces van The Secret, een ‘methode’ die door het visualiseren van wat je wilt je doel binnen handbereik zou brengen, ook de meer academisch doortimmerde psychologie staat bol van deze pseudowetenschap. Zo verscheen enkele weken geleden de Nederlandse vertaling van Willpower: Rediscovering the Greatest Human Strength van hoogleraar sociale psychologie Roy F. Baumeister en wetenschapsjournalist John Tierney. „Mensen voelen zich”, volgens de auteurs, „overweldigd doordat er meer verleidingen zijn dan ooit.” En deze verleidingen stellen onze wilskracht zodanig op de proef dat de energie ervan opraakt. Want wilskracht, schrijven ze, moet je zien als een spier. En deze spier raakt overbelast als we hem voortdurend moeten aanwenden om de vele hedendaagse verlokkingen te weerstaan.

Het is dezelfde retoriek van de loopbaanadviseur die je al spierpijn bezorgt door er alleen maar na te luisteren. Ook hier is ‘visualiseren’ de uitweg. Baumeister en Tierney menen te hebben bewezen dat orde en regelmaat in een mensenleven in staat zijn de wilskrachtspier te kunnen ontzien door al bij voorbaat keuzes te hebben gemaakt. Wie regelmaat kent hoeft niet telkens opnieuw te kiezen. Wat de achterliggende individuele rede voor deze regelmaat is vraagt het stel zich niet af. Gewoon je individuele passie najagen met wilskracht en orde, dan volgt het doel vanzelf. Zelfs bij hun vaststelling dat gelovigen vaak zo wilskrachtig zijn zien ze alleen het regelmatige leven van de gelovige, niet de achterliggende allesomvattende vorm die iedere religie kenmerkt.

Want daar ligt natuurlijk het probleem van iedere moderne samenleving: niet in de vele keuzes, maar in het ontbreken van een individu overstijgende zin. Hoe we die zin weer terugkrijgen weet de ongelovige schrijver dezes ook niet, maar wat hij wel weet is dat wilskrachtige individuele zelfhulp ons er verder vanaf brengt. Dat meent ook Byung-Chul Han, hoogleraar filosofie aan Hochschule für Gestaltung in Karlsruhe, in het zojuist uit het Duits vertaalde De vermoeide samenleving. „De depressieve vermoeidheid van de prestatiesamenleving is een eenpersoonsvermoeidheid, die vereenzaming en isolement in de hand werkt.”

Als onze vrijheid schuilt in ‘de juiste keuze’ en in de perfectionering van het zelf, blijft dat schijnvrijheid. Het advies van de loopbaanadviseur maakt van kiezen zelf een prestatie en de plicht tot passie ontneemt ons de adempauze van de hobby. Zo plaatst het naar zichzelf zoekende individu zich buiten de zingeving en verwordt hij tot een schakel in een economisch proces. Een proces dat de loopbaanadviseurs en sociaal psychologen lekker opstoken. Deze „excessieve prestatieverhoging leidt tot een infarct van de ziel”, schrijft Han. Want als alles uit jezelf moet komen en uit de energie van je wilskracht dan hoort bij iedere zelfverwezenlijking de burn-out als een self-fulfilling prophecy.

Coen Simon is schrijver en filosoof. Eind maart verschijnt van hem Wachten op geluk. Een filosofie van het verlangen.