Geluk uit een glas

Uit onderzoek blijkt dat wijn blij maakt, schrijft Harold Hamersma.

Wijndrinkers zijn gelukkiger dan niet-wijndrinkers. Het eerste rapport dat ik daar over lees, is wellicht enigszins gekleurd, want het komt uit Frankrijk. In 2010 werd in het European Journal of Clinical Nutrition verslag gedaan van een onderzoek onder 150.000 mannen en vrouwen. Daaruit bleek dat matige drinkers (één tot twee glazen per dag) optimistischer in het leven stonden dan geheelonthouders. Mooi meegenomen was dat de matige drinkers bovendien minder stress kenden, slanker waren en meer van het goede HDL-cholesterol in hun bloed hadden.

Maar ook vanuit Nederland klinken positieve geluiden met betrekking tot de matige drinker. Eveneens in 2010 publiceerde de Erasmus Universiteit Rotterdam de eerste resultaten van het langlopende onderzoek ‘De Gelukswijzer’. Daaruit concludeerden de wetenschappers dat mensen die af en toe alcohol drinken, gelukkiger zijn dan geheelonthouders. Op de vraag of ze gelukkig waren, scoorden de deelnemers aan de Gelukswijzer (www.gelukswijzer.nl) gemiddeld een 7,5, een cijfer dat destijds overeen kwam met het landelijk gemiddelde. Deelnemers die één tot twee dagen in de week twee glazen alcohol dronken, beoordeelden hun levensgeluk met een 8. Meer drinken resulteerde overigens niet in meer geluk. Wie minstens drie dagen per week twee of meer glazen dronk, scoorde nog slechts een 6,6.

Maar waardoor ontstaat nu precies dat geluksgevoel? En is het gelukmakende effect van wijn groter dan dat van andere alcoholische dranken? In recentere rapporten vind ik er niets over. In het antiquariaat wel. In Wijn, voor uw gezondheid (Dr. F. A. Graf von Ingelheim en Ingo Swoboda, 1998 ) lees ik bij ‘Depressiviteit’ dat het de kalkfosfaatverbindingen in rode wijn zijn die stimulerend werken. Twee kleine glazen voor of tijdens de maaltijd blijken een positieve invloed op de gemoedsgesteldheid te hebben.

En in het hoofdstuk waarin de werking van alcohol op het centrale zenuwstelsel wordt behandeld, lees ik nog meer dat vrolijk stemt: wijnconsumptie verhoogt de concentratie aan serotonine in de hersenen. Serotonine is een boodschappermolecuul (of neurotransmitter). Het transporteert signalen in zenuwbanen die met geheugen, eetlust, angsten en stemmingen te maken hebben. Bij onvoldoende serotonine wordt de stemming somberder. Uit onderzoek blijkt dat depressieve mensen vaak een te lage serotoninespiegel hebben. Veel moderne psychofarmaceutica heeft dan ook tot doel om serotonine langer beschikbaar te houden. „Matige wijnconsumptie kan hier aan bijdragen”, lees ik.

In Wijn drinken is gezond (Hans Wagner; 1998) wordt er uitgebreider op ingegaan. Serotonine wordt in de hersenen uit het eiwit tryptofaan geproduceerd. Dat is een bouwsteen die in het lichaam wordt opgenomen door het eten van eiwitrijk voedsel zoals vlees, vis, ei- en melkproducten. In onze hersenen wordt dit tryptofaan omgezet in serotonine, een proces dat enige uren in beslag neemt. Alleen als er voldoende tryptofaan op voorraad is, kan er voldoende serotonine worden aangemaakt.

De auteur verklaart en passant waarom mensen die uit hun hum zijn vaak naar zoetigheid grijpen: suiker, chocolade en taart zorgen eveneens voor een sterke toename van het tryptofaangehalte, en daarmee uiteindelijk ook van de serotoninevoorraad.

De schrijver adviseert om het tryptofaangehalte op peil te houden met wijn, want de alcohol in wijn vertraagt volgens hem de afbraak van serotonine in de hersenen. Zo blijft een verkregen goed humeur ook langer behouden.

Dit goede humeur nog langer bewaren door nog meer te drinken, is echter geen optie, zo luidt de waarschuwing. Wie verdriet heeft of neerslachtig is, kan door overmatige consumptie zijn stemming even opkrikken. Maar als de neerslachtige doordrinkt zullen op zeker moment agressieve gevoelens de overhand krijgen, door een grotere adrenalineproductie en andere hormonale prikkels. „De positieve invloed van wijn zit niet in grote bokalen”, aldus de schrijver.