Een ‘galerijflat in Spijkenisse’ en dan weet u het wel… of toch niet?

‘Kijk, daar stond er eentje”, zegt Karin Vulink. We lopen langs een open plek in de wijk Groenewoud, gemeente Spijkenisse. Vulink is daar beleidsmedewerker bij Maasdelta, een van de drie corporaties in de gemeente, en met het beheer van zo’n 5.800 woningen ook meteen de grootste. Journalistiek steno roept iets op, maar je kunt beter

‘Kijk, daar stond er eentje”, zegt Karin Vulink. We lopen langs een open plek in de wijk Groenewoud, gemeente Spijkenisse. Vulink is daar beleidsmedewerker bij Maasdelta, een van de drie corporaties in de gemeente, en met het beheer van zo’n 5.800 woningen ook meteen de grootste.

Journalistiek steno roept iets op, maar je kunt beter uitleggen

En „eentje”, dat is zo’n flat van vier hoog, met een loopgalerij en boxen onderin, waarvan Groenewoud er elf stuks telde. Telde, want van de 580 galerijwoningen zijn er in de jaren negentig 170 gesloopt, ruim eenderde. Ze hebben plaatsgemaakt voor laagbouw en koopwoningen – de formule die ook werd toegepast om de leefkwaliteit en het imago van de Amsterdamse Bijlmermeer op te krikken.

Het is een mooie voorjaarsdag, en in de ochtendzon zien deze flats van Spijkenisse eruit als, nou ja, nog niet als het nieuwe Jeruzalem. Maar ook zeker niet als een getto of no-go-area, geteisterd door criminaliteit, verloedering en zwerfvuil.

Karin Vulink moest dan ook even slikken toen ze in NRC Handelsblad een stuk las van ondergetekende, waarin Spijkenisse terloops een sneer kreeg. In een artikel over de hype rond Joran van der Sloot had ik geschreven, als deelverklaring voor de enorme aandacht die zijn zaak kreeg, dat hij opereerde op exotische locaties, herkenbare vakantiebestemmingen als Aruba, en niet in „een kelderbox in Amsterdam-Zuid-Oost of een galerijflat in Spijkenisse” (Een gokker die het leven uitdaagt, 11 januari).

Waarom nou weer Spijkenisse?

Die Amsterdamse kelderboxen waren opgedoken in nieuwsberichten over drugshandel en verkrachting, vandaar. Maar Spijkenisse? In november 2011 was daar het lijk gevonden van de 22-jarige Farida Zargar – maar dat was in een bos. Dus juist niet in een „galerijflat”.

Bovendien, zegt vestigingsmanager Joost Mayer van Maasdelta, de veiligheidsbeleving in het 72.000 inwoners tellende Spijkenisse is toegenomen sinds 2002. De gemeente scoort slechter dan het landelijk gemiddelde, maar wijkt niet noemenswaardig af van de rest van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, blijkt uit het rapport Leefbaarheid in Spijkenisse (2010). Toch goed om te weten.

Wat is het punt? Journalisten gebruiken geregeld begrippen en trefwoorden om associaties op te roepen – een soort conceptueel steno. Lees „galerijflat in Spijkenisse” en er moet zich nu een troosteloze wereld openen voor de lezer.

Maar soms loopt een imago achter bij de feiten, of is de werkelijkheid een stuk genuanceerder. Zo is ‘vinexwijk’ een trefwoord geworden voor een wijk die zucht onder saaiheid en vervreemding, terwijl er toch er tienduizenden normale mensen met veel plezier wonen.

En soms klopt de betekenis van zo’n steekwoord ook gewoon niet.

Neem „stalinistisch”, losjes gebruikt om een autoritair bewind te typeren – terwijl het woord slaat op de specifieke theorie en praktijk van Jozef Stalin: escalatie van de klassenstrijd en permanente mobilisatie. Theorie en praktijk kwamen samen bij de leider (vozjd), die het revolutionaire proces op gang houdt door een paranoïde sfeer van straf en beloning te creëren.

Toch niet exact hetzelfde als de zorgplannen van Edith Schippers.

Maar een deel daarvan werd in deze krant wel drie keer getypeerd als „stalinistisch”, gelukkig niet door redacteuren, maar door Kamerleden en een zorgmanager.

Hetzelfde geldt voor begrippen als „fascistisch” of „nazistisch”: ze worden vaak losjes gebruikt, maar hebben een specifieke betekenis.

In NRC Handelsblad valt dat trouwens nog reuze mee, blijkens het archief. De aanduiding „stalinistisch” werd het afgelopen jaar, behalve dan voor minister Schippers, vooral gehanteerd in stukken over Noord-Korea – terecht.

Een ander populair steekwoord, „kafkaësk”, werd dat jaar maar een handvol keren gebruikt, in de (ook juiste) context van een ondoorzichtige bureaucratie. Zoals kennelijk die van het Medisch Bureau van het katholieke bedevaartsoord Lourdes. Hoe wonderen en bureaucratie elkaar toch nog weten te vinden.

Of neem, in de categorie menselijk drama, „tragedie”. Dat woord viel, heel begrijpelijk, bij de schokkende moord op joodse kinderen in Toulouse. Het is ingeburgerd taalgebruik, goedgekeurd door Van Dale. Maar een (Griekse) tragedie impliceert toch ook een onafwendbaar noodlot met een louterende ontlading, dat mensen soms onbedoeld over zichzelf afroepen – niet echt op zijn plaats bij een terreuraanslag op onschuldige kinderen.

Terug naar Spijkenisse.

In dat stuk over Van der Sloot gebruikte ik de combinatie „galerijflat” en „Spijkenisse” als journalistiek steno voor een troosteloze omgeving. U weet wel, van die flats.

Ook begrijpelijk, zoals veel clichés. De gemeente Spijkenisse bungelt onderaan de lijstjes van meest aantrekkelijke gemeenten (in de jongste ranglijst van Elsevier komt Spijkenisse op nummer 403 van 418). Tot frustratie van betrokkenen als Karin Vulink, die erop wijzen dat er juist zo veel is verbeterd.

Ook in de wijk Groenewoud, waar die flats stonden – ze zijn gesloopt of opgeknapt. Al moet de corporatie de wijk „goed in de gaten houden”, zegt manager Mayer. Voor je het weet, nadert de werkelijkheid het versleten imago weer.

Mijn conclusie: wees zorgvuldig met woorden die iets bij de lezer beogen op te roepen dat in het echt ingewikkelder ligt, of misschien niet eens meer bestaat – zoals een verpauperde galerijflat.

Sterker nog: je kunt beter iets uitleggen dan oproepen.