Dorps verlangen

In kleine gemeenten verschijnen dorpse buurtjes, vaak in jarendertigstijl. ‘We wonen hier heerlijk rustig en vredig.’

Boven nieuwbouwwijk Overhoeken-Enschotsebaan in Berkel-Enschot.

Dorps wonen rukt op in Nederland. Nu de Nederlandse woningbouwmachine is vastgelopen en de bouw van vinexwijken steeds trager gaat of zelfs wordt gestaakt, verschijnen er vooral in kleine gemeenten ‘dorpse’ woonbuurtjes. Met name in Brabant komt het nieuwe dorpse wonen tot bloei. In Berkel-Enschot bijvoorbeeld, bij Tilburg, wordt de ‘dorpse’ buurt Overhoeken-Enschotsebaan gebouwd. Bij het al voltooide deel hiervan is goed te zien wat met ‘dorps’ wordt bedoeld.

Anders dan in de gemiddelde vinexwijken staan de huizen niet in strenge rijen opgesteld, maar staan ze om een soort brink. De huizen verschillen in grootte en hoogte, de richting van hun kappen wisselt en ook hun kleuren – wit, bruin en zwart – variëren, zodat het lijkt alsof ze, net als in een oud dorp, door particulieren zijn gebouwd.

Wat alle huizen in Overhoeken-Enschotsebaan delen, is dat ze, net als in de meeste andere nieuwe dorpse buurten in Brabant, in een traditionele stijl zijn gebouwd, vaak de jarendertigstijl: horizontaal gebouwd, donkere bakstenen, een zwart pannendak en vaak een erker. Op één huis na in het ‘eigenbouwdeel’ van de wijk. Dit huis, ontworpen door architect Jeroen Wouters, heeft weliswaar ook een puntdak, maar is veel strakker, minimalistisch bijna. Zo vormt de houten deur met daarnaast houten lamellen één vlak met de rest van de grijze bakstenen gevel en hebben de grote ramen geen sponningen maar zijn het grote glasvlakken. Ook dakgoten en andere frutsels zijn opvallend afwezig.

Geborgenheid

Dorps wonen, met kluiten huizen en kleine rijtjes van hoogstens zes woningen, passen volgens Jeroen Wouters bij deze tijd. „Misschien als reactie op de globalisering heerst er een algemeen verlangen naar herkenbaarheid en geborgenheid”, zegt hij, terwijl we door de dorpse nieuwbouwwijk van Berkel-Enschot lopen. „Het dorpse wonen voldoet ook aan het verlangen naar gemeenschappelijkheid. Het staat niet op zichzelf. Je ziet soortgelijke ontwikkelingen in bijvoorbeeld de voedselproductie. Er komen steeds meer groenteboeren en supermarkten met locaal geproduceerd voedsel. Ook zie je overal buurtmoestuinen opkomen.”

Maar volgens Wouters hoeft het dorpse wonen niet gepaard te gaan met traditionele stijlen. „Ik voorspel dat de architectuur uit de jaren vijftig, zoals de case study houses in Los Angeles de volgende trend wordt.” Dat betekent: veel glas, staal en platte daken. Wouters begrijpt wel waarom de jarendertigstijl zo populair was. „In de vinexwijken zijn wel erg veel eendere blokkendozen uit de grond gestampt.” Maar de interesse voor de jarendertigstijl neemt nu gelukkig af, zegt Wouters. „Vaak zijn het heel gewone, ouderwetse doorzonwonigen in een jarendertigjasje.” Wouters vindt het raar dat die nieuwe jarendertighuizen altijd van donkere bakstenen zijn. „Dat is een vergissing. De oorspronkelijke jarendertighuizen zijn vaak van prachtige, lichte bakstenen gemaakt. Maar die zijn door vuil donker geworden.”

Wouters stelt vast dat de ‘hokkerige jarendertighuizen met bedompte ruimtes’ niet voldoen aan de huidige woonwensen. „Je ziet tegenwoordig vaak een groot, vreemd verschil tussen interieur en exterieur. Mede dankzij de woonbladen en tv-programma’s over wonen hebben de meeste mensen nu een strak interieur met een moderne keuken enzo. Maar de buitenkant van hun huis lijkt dan een eeuw oud. Ik merk bij mijn klanten dat ze dat niet willen.”

Puntdak verplicht

Klanten van hem zijn Pien van Rijswijk en Jan van de Wouw. Van Rijswijk is geboren en getogen in Berkel-Enschot, ging enkele jaren het dorp uit en keerde weer terug. Vijfentwintig jaar wonen Van Rijswijk en Van de Wouw nu in een klassieke doorzonwoning. Nu hun twee kinderen ouder zijn en ze zich financieel meer kunnen permitteren, laten zij een huis bouwen in Overhoeken-Enschotsebaan, vlakbij het andere huis dat is ontworpen door Wouters. „Ik ben dol op de stad en het stadsgedruis, maar een woning in het centrum van Tilburg is niet te betalen”, zegt van Rijswijk over de keuze om vlak bij hun huidige huis een nieuw huis te bouwen. „Hier in het dorp konden we eerst niets vinden naar onze smaak. Toen wees een projectontwikkelaar op een kavel in het dorp die nog vrij was. Eerst aarzelden we omdat de bouweisen voor de nieuwbouw strikt traditioneel zijn. Wij wilden geen jarendertighuis, want die zie je nu werkelijk overal. Wij wilden een licht, open en ruim huis, met veel glas en met zo min mogelijk deuren. We kregen Wouters aangeraden omdat hij iets kon ontwerpen dat eigentijds is en toch aan de traditionele eisen voldoet. We wilden ook een dakterras en eigenlijk ook een plat dak. Dat laatste is het enige dat hij niet voor elkaar heeft gekregen. Onder de eis dat het huis een puntdak moet krijgen, viel niet uit te komen.”

Het huis van Pien van Rijswijk en Jan van de Wouw zal niet alleen qua stijl afwijken van de omringende huizen. De meeste huizen nemen de volle breedte van de kavel in beslag. Hun huis wordt smal en langgerekt, met in plaats van de gebruikelijke brede aanbouw een lang, laag bouwdeel van één verdieping met een patio en aan het einde een extra slaapkamer. „Je kunt straks om het huis heen lopen”, zegt Pien van Rijswijk. De slaapkamers voor hun twee kinderen komen op de eerste verdieping, de ouders slapen in de kelder die licht krijgt door een brede lichtgoot naast het huis. Opvallend aan het huis is ook de kloeke schoorsteen: samen met het puntdak zorgt die ervoor dat het huis vanaf de straat lijkt op het oerhuis zoals kinderen dat tekenen.

Van Rijswijk en Van de Wouw verheugen zich op hun nieuwe huis. „Het is ideaal”, zegt Van Rijswijk. „Binnen tien minuten zitten we in het centrum van Tilburg, of op de Drunense heide. We wonen hier heerlijk rustig en vredig. Dorps, ja.”