Die vakbond is zo onredelijk

Zwitserland heeft geen behoefte aan meer vakantiedagen. Het is echt waar. De vakbond Travail Suisse stelde in een referendum de vraag ‘Wilt u meer vakantiedagen?’ en twee op de drie Zwitsers antwoordde daarop ‘nee’.

Dat is toch verbazingwekkend. Terwijl de vakbond denkt dat het volk wel zit te wachten op wat extra vrije tijd, is de stemmer vooral bang dat twee weken extra vakantie de economie verder de gevarenzone in trekt. Je kent het wel: meer vakantie betekent duurdere arbeid, duurdere producten, slechtere exportpositie, minder werkgelegenheid. De Zwitser zelf geeft momenteel meer prioriteit aan de economie dan aan zijn eigen arbeidspositie. Of de vakbond dat nou leuk vindt of niet.

Mijn vermoeden: als je Nederlanders zoiets zou vragen, antwoorden ze ook nee. Nederlanders denken ook niet altijd direct aan het eigenbelang. Neem het ontslagrecht: vraag Nederland of een werkgever iemand na zijn ontslag echt meer dan 3 jaar 70 procent van zijn laatst verdiende loon moet betalen en het is goed mogelijk dat een meerderheid je voor gek verklaart. Iedereen kent namelijk wel iemand die aan zijn zoveelste jaarcontract bezig is. Of die na zijn tiende freelanceopdracht zichzelf wanhopig heeft uitgeroepen tot ZZP’er. Dit land barst van de stagiairs, uitzendkrachten en jaarcontracten. Decennialang vechten voor betere rechtsbescherming van de werknemer heeft het vast contract tot een extreem onwenselijk peperduur grapje gemaakt. ‘Ontsla mij makkelijker’ is misschien wel wat de Nederlandse kiezer zou antwoorden, desgevraagd.

Toch blijft er één groepje hardnekkig oppositie voeren tegen versoepeling van het ontslagrecht. Een groepje waar nog geen 25 procent van werkend Nederland toe behoort maar dat toch 80 procent van de beroepsbevolking vertegenwoordigt tijdens pensioen-, AOW- en CAO-onderhandelingen. Ik heb het over de fluitjes, de hesjes, het Malieveld, jawel, de vakbond.

De vakbond wordt momenteel gelijmd nadat hij uit elkaar viel tijdens de onderhandelingen over het nieuwe pensioenakkoord. Twee stromingen botsten frontaal: zij die koste wat kost de pensioenrechten precies zo wilden houden en zij die beseften dat dat onrealistisch was en bereid waren een nieuwe werkelijkheid te accepteren. En nu, in dit machtsvacuüm, lijkt de vakbeweging bezig aan een ruk naar links.

Waar vroeger de nog enigszins voor rede vatbare PvdA de grootste invloed had, leunt vooral FNV nu steeds zwaarder op de SP. De tomaat zie je overal. Roemer is er een godheid. Mensen als Lilian Marijnissen maken snel carrière in de ABVAKABO-afdeling. En dat gaat gepaard met een nieuw geluid, een veel rauwere retoriek. Afgelopen weken verscheen er een onwaarschijnlijk agressief spotje waarin Rutte wordt geportretteerd als iemand die jonge gehandicapten uitlacht. Dat was een regelrechte stomp in de maag van dit kabinet. Iets wat verder elk gesprek of onderhandeling bij voorbaat onmogelijk maakt.

Maar misschien is dat ook helemaal niet het doel van de nieuwe vakbeweging. Het lijkt er sterk op dat de onderhandelaars, de hervormers, de realisten allang het onderspit hebben gedolven tegen een steeds bozer en onredelijker groepje SP-sympathisanten. Een groepje dat er nog steeds van overtuigd is namens de Nederlandse werknemer te spreken maar zich ondertussen steeds verder verwijdert van de opvattingen en belevingswereld van de Nederlandse beroepsbevolking.

Zouden ze het weten? Zouden ze daar in de vakbondsgangen zich realiseren dat er mensen in loondienst zijn die het best begrijpen als hun loon even niet zo hard groeit? Dat er net als in Zwitserland, ook hier toerekeningsvatbare werknemers zijn die niet altijd maar meer geld, meer vakantie, meer ontslagbescherming willen? Zouden ze zich daar in de vakcentrale kunnen voorstellen dat het merendeel van die mensen voor wiens rechten ze zo keihard actievoeren, misschien liever ziet dat de vakbond de fluitjes en hesjes even in een la legt en rekening houdt met de Nederlandse economie? Ik betwijfel het. Het dreigt even heel stil te worden in de polder.