De oorlog die geen oorlog mocht heten

Twee historici kregen toegang tot de archieven van de commando’s. Ze lazen geheime patrouilleverslagen en reconstrueerden de bijdrage van de commando’s aan de wederopbouw in ‘Uruzgan’. Of wederopbouw? „Het is oorlog voor onze ploegen.”

Afghaanse en Canadese soldaten op 3 juni 2010 in Khebari Ghar, ten zuidwesten van Kandahar. Foto AP, bewerking NRC Fotodienst

In oktober 2005 trokken negen Nederlandse commando’s, de elite van de krijgsmacht, voor het eerst door Uruzgan. Soms te paard, want zo kregen ze een beter idee van het terrein en de tegenstand in de Zuid-Afghaanse provincie. De twee weken durende verkenningstocht moest informatie opleveren voor het kabinet in Den Haag. Dat had van de NAVO de vraag gekregen Nederlandse militairen naar Uruzgan te sturen. Het kabinet wilde weten hoe gevaarlijk de provincie daadwerkelijk was.

De commando’s trokken in groepjes van twee à drie man door Uruzgan, eerst per helikopter naar Amerikaanse bases om van daaruit samen het gebied in te trekken. Onderweg hoorden ze over wapenopslagplaatsen en trainingskampen van de Talibaan. Ook vernamen zij dat Talibaanstrijders door de provincie trokken zonder dat iemand hen tegenhield. Op afgelegen bases in het noorden van Uruzgan spraken zij met Amerikaanse en Australische collega-commando’s. Kon in Uruzgan wederopbouwwerk worden gedaan, zoals de Nederlandse regering wilde? „De commando’s constateerden daarbij dat de bondgenoten niet toekwamen aan wederopbouw, maar vooral gevechtsoperaties uitvoerden. De provincie wemelde van de opstandelingen”, schrijven de historici Arthur ten Cate en Martijn van der Vorm, die toegang kregen tot de archieven van de commando’s.

Nooit eerder in de recente geschiedenis kregen relatieve buitenstaanders zo uitgebreid toegang tot geheime patrouilleverslagen, rapportages over verkenningen en beleidsdocumenten van het Korps. Ook voerden ze ruim tachtig gesprekken met commando’s. Hun boek, Callsign Nassau, Het moderne Korps Commandotroepen 1989-2012, wordt zaterdag aan minister Hillen van Defensie aangeboden.

„Iedere inzet in het gebied zou volgens de commando’s moeten beginnen met een harde strijd om het onder controle te brengen”, voorspelden de Groene Baretten in 2005 in verkenningsrapportages aan hun meerderen in Nederland. Die voorspelling kwam uit toen de commando’s van de zogeheten Taakgroep Viper de Talibaan voor het eerst ontmoetten. Op 24 april 2006 schoten scherpschutters voor het eerst van veraf vijandelijke strijders neer. Toen ze een paar dagen later in hetzelfde dorp terugkeerden, kwamen ze in een vuurgevecht terecht. De Talibaan leek het te winnen van de commando’s, die niet anders konden dan zich terugtrekken. Tegelijkertijd sloeg de vlam in de pan in het naburige dorp Khorma. Ook daar was het ene na het andere vuurgevecht. De commandant van Viper draaide er in zijn verslag voor zijn meerderen in Nederland niet omheen: het was hem en zijn manschappen „inmiddels duidelijk geworden dat het oorlog [was] voor onze ploegen.”

Uit het boek blijkt dat er onder de commando’s weinig optimisme was over een militaire missie waarvan wederopbouw een cruciaal onderdeel moest uitmaken. „Uruzgan was ‘Talibaan-gebied bij uitstek’, aldus verkenners”, staat in het boek.

Deze woorden hebben nooit hun weg gevonden naar de Tweede Kamer en de Nederlandse bevolking. Die moesten het doen met afgezwakte frases. In de kabinetsbrief over de uitzending naar Uruzgan, ondertekend door de ministers Bot (Buitenlandse Zaken, CDA), Kamp (Defensie, VVD) en Van Ardenne (Ontwikkelingshulp, CDA), stond dat „offensieve operaties” in „bepaalde gebieden” van Uruzgan noodzakelijk konden zijn. Het kabinet sprak over „een missie met reële militaire risico’s” waarbinnen „een standvastige tegenstander” zich bediende van „gewapende strijd”.

Groene Baretten

Ten Cate en Van der Vorm schrijven dat de Groene Baretten, zoals de commando’s ook worden genoemd, een „grimmiger beeld van de situatie” hadden dan in het politieke en publieke debat naar voren kwam. De mogelijke inzet in Zuid-Afghanistan was in het najaar van 2005 voorgesteld als een operatie in de ‘lange’ Nederlandse traditie van vredesondersteunende missies, gericht op stabilisering, wederopbouw en het welzijn van de plaatselijke bevolking, maar niet als oorlogsoperatie.”

Het kabinet legde volgens de historici de nadruk op wederopbouw om zo „tegenwicht te bieden aan het beeld van Uruzgan als ‘verkapt oorlogsgebied’ en de politieke steun te verkrijgen die nodig was om de missie mogelijk te maken”. Als het beeld van Uruzgan als oorlogsgebied in de publieke opinie kwam te overheersen, zou de gewenste ruime meerderheid in de Tweede Kamer nooit instemmen met de missie.

Gelogen is er niet door het kabinet, zegt Ten Cate. „Het verschil zit hem in het beperkte aantal woorden dat het kabinet wijdde aan vechten, in verhouding tot wederopbouw.”

Deze houding van het kabinet vertaalde zich ook in de rechtspositie van de naar Uruzgan uitgezonden Nederlandse militairen. Die was veel zwakker dan van de militairen die in 2006 deelnamen aan de antiterreurmissie Operation Enduring Freedom in Kandahar. De speciale eenheden moesten daar vijandelijke infiltratie en bevoorrading vanuit Pakistan tegengaan. Hiervoor werd de juridische bepaling „in tijd van oorlog” afgekondigd. Dat gaf militairen meer rechtszekerheid. Zo konden ze niet worden vervolgd voor oorlogshandelingen die binnen hun bevoegdheden en het oorlogsrecht vielen.

Militair gezien was er alle reden om dat artikel ook van toepassing te verklaren op de inzet in Uruzgan. Maar politiek gezien moest het woord ‘oorlog’ vermeden worden, om de steun van de Tweede Kamer niet in gevaar te brengen. Ten Cate: „Gezien het werkelijke karakter op de grond in Zuid-Afghanistan is dat een opmerkelijke keuze.” Het was niet de enige kloof tussen militaire realiteit en Haagse werkelijkheid. Politici hechtten veel waarde aan het onderscheid tussen Enduring Freedom (de door Amerikanen geleide War on terror) en de NAVO-missie (meer gericht op de wederopbouw van Afghanistan). In de praktijk ter plaatse liep alles in elkaar over.

Radioprogramma Argos berichtte in 2007 dat Nederlandse commando’s in 2002 en 2003 waren ingezet voor de in Nederland controversiële missie Enduring Freedom. Militairen mogen niet zomaar overal naartoe zonder toestemming van de Kamer. Argos ontdekte dat de Nederlandse commando’s enkele kilometers buiten de grenzen van de NAVO-missie opereerden en concludeerde dat ze dan wel zouden meevechten met die andere missie die gelijktijdig plaatsvond, Enduring Freedom dus. De historici relativeren deze kwestie door te schrijven dat „een dergelijke strikte interpretatie” van de grenzen van het NAVO-gebied „in hoge mate gekunsteld was”. „Kern van de zaak was en bleef dat beide missies in elkaars verlengde lagen en feitelijk onderdeel waren van dezelfde campagne. Dat werd internationaal ook zo gezien. Behalve in Nederland, waar de fictie van een strikte scheiding tussen oorlog en peace building nog jarenlang werd hooggehouden.”

De Slag om Chora

Ondanks de sombere analyses die de commando’s maakten van de veiligheidssituatie in Uruzgan in 2005 en 2006, zette het kabinet het plan door om per 1 augustus 2006 1.500 Nederlandse militairen te stationeren op Kamp Holland en omgeving. Ook hierna bleven de commando’s actief in Uruzgan, bijvoorbeeld om te vechten in de Baluchi-vallei, lange tijd thuisbasis van de Talibaan in Uruzgan. Kapitein Marco Kroon kreeg voor zijn optreden tijdens deze acties in 2009 de Militaire Willemsorde. Bij de uitreiking kwamen voor het eerst details naar buiten over de felle militaire strijd die door commando’s in Zuid-Afghanistan werd gevoerd.

In 2007 dreigden moslimstrijders de Chora-vallei in te nemen, wat met de Slag om Chora ternauwernood kon worden voorkomen. Op basis van onder meer een perspresentatie van Defensie werd die slag op radio, tv en in de kranten breed uitgemeten als een overwinning. Maar waren de strijders echt verslagen?

Uit het boek van Ten Cate en Van der Vorm blijkt dat de NAVO-militairen, onder wie de Nederlandse commando’s, hun handen vol hadden aan de nasleep van de slag in de Mirabad-vallei. Groepen opstandelingen, die na de Slag om Chora waren verdwenen, doken op allerlei plekken op. Op 11 september 2007 volgde de grootste confrontatie met deze strijders, in de Mirabad-vallei. In deze langgerekte groene vallei raakten de Nederlandse commando’s in gevecht met een grote groep buitenlandse moslimstrijders uit onder meer Pakistan, Bosnië en Tsjetsjenië. Dit waren geharde veteranen, met oorlogservaring in het buitenland, geen verongelijkte, tot de Talibaan bekeerde keuterboertjes.

Het gevecht duurde uren, blijkt uit stukken die de historici inzagen. En kon pas worden gewonnen toen Apache-gevechtshelikopters de Talibaan bestookten met boordmitrailleurs en Hellfire-raketten. Naar schatting kwamen meer dan veertig strijders om het leven. Onder de commando’s vielen geen slachtoffers of gewonden.

Blinde vlekken

De vraag bleef tegen wie de commando’s nu eigenlijk vochten in Uruzgan? Wat was de Talibaan voor beweging? Op zoek naar een antwoord stuitten de commando’s op een van de „blinde vlekken” van de NAVO-coalitie, schrijven de historici. Een van die blinde vlekken was „de gebrekkige analyse van het gewapende conflict”. In 2006 werkten de commando’s nauw samen met de machtige krijgsheer van Uruzgan, Jan Mohammed Khan. Hij wees de commando’s waar de Talibaan zaten. Maar hiermee kozen de commando’s partij in een intern machtsconflict in Uruzgan. Want was het wel een ‘echte’ Talibaan die Jan als gevaarlijke vijand aanwees? Of zette hij de commando’s in om zijn persoonlijke rekening te vereffenen met politieke vijanden in Uruzgan?

Eind 2007 trokken de commando’s zich terug uit de Uruzgan-missie, om in 2009 terug te keren in hun speciale commandokamp. Telkens werd hun speciale positie gekoesterd. Binnen het leger ontstond een afgeschermde elite. Letterlijk. Binnen Kamp Holland hadden de commando’s een eigen kamp. Wat zich daar afspeelde was aan het zicht onttrokken door een hek met zwarte lappen. De paar keer dat de commando’s in de eetzaal van Kamp Holland plaatsnamen, zaten zij met strakke gezichten in een hoekje.

Zodra de commando’s opnieuw Uruzgan introkken, merkten zij dat de Talibaan hun tactiek hadden aangepast. Na de hevige gevechten in 2006 en 2007 had de taakgroep in 2008 de controle over de bevolkte gebieden in Uruzgan min of meer in handen. Dat dwong de Talibaan om ‘ondergronds’ te gaan. Met bermbommen als favoriet wapen.

De zogenoemde ‘inktvlekstrategie’ leek te werken. Die was er op gericht om vanuit Tarin Kowt en Deh Rawood langzaamaan het vertrouwen te winnen van de inwoners van meer afgelegen dorpen. Maar daarbuiten (het overgrote deel van Uruzgan) waren de Talibaan nog steeds de baas. Op die gebieden richtten de commando’s zich. Helikopters vlogen hen naar berggebieden, waar werd gevochten met de Talibaan.

De commando’s bleven er dagenlang, ze hadden rugzakken met 50 tot 60 kilo voedsel en munitie bij zich. Deze manier van opereren was waar ze voor getraind waren: vechten en verkennen, diep in vijandelijk gebied. Commando’s waren in 2002-2003 al ingezet in Kabul, tussen 2003-2005 in Irak, en tussen 2005-2006 in Kandahar (Zuid-Afghanistan). Die inzet kende meer restricties. Ze mochten niet naar de echt gevaarlijke gebieden en moesten terughoudend zijn met geweld. Maar zelfs zonder een aantal van die restricties hadden de commando’s de indruk dat zij lang niet zo effectief waren als ze konden zijn. Er was een tekort aan ondersteunende middelen als helikopters en eenheden die bermbommen konden detecteren. Die moesten steeds geleend worden van de andere militairen uit Kamp Holland, die moeite hadden ze af te staan. De militaire staf in Den Haag was gehouden aan een limiet: er mochten niet meer militairen worden gestuurd dan met de Kamer was afgesproken.

Desondanks zijn de commando’s de laatste jaren een steeds belangrijker verlengstuk geworden van de Nederlandse buitenlandpolitiek, aldus de onderzoekers. Ten Cate: „Mede dankzij de inzet van commando’s heeft Nederland zich opgesteld als een loyale bondgenoot. Amerikanen en Britten maak je heel gelukkig met Nederlandse commando’s. En inzet van commando’s is relatief goedkoop vergeleken met het uitzenden van een hele Taskforce Uruzgan.”

In 2010 kwam er een einde aan acties van de commando’s in Afghanistan. Voor zover bekend zijn ze op dit moment niet op missie. En de aarzelende houding van het Nederlandse parlement over militaire bemoeienis met Afghanistan maakt een nieuwe missie ook niet waarschijnlijk.