De bloedwaarden liegen niet

sportwetenschap

Harm Kuipers bedacht het bloedpaspoort voor sporters. En bewees dat topsporters hun vorm kunnen sturen. Nu neemt hij afscheid en praat vrijelijk over zijn twee kankers.

Harm Kuipers in ijsstadion Thialf, waar hij dit weekeinde bloed afneemt bij wedstrijdschaatsers: “Een sporter is van nature onzeker. En trainen doen sporters vaak om onzekerheid weg te werken.” Foto Laurens Aaij

Harm Kuipers was wereldkampioenschappen schaatsen in 1975. Eind van dit jaar gaat hij met pensioen als hoogleraar bewegingswetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Maar per 1 mei stopt hij met werken, omdat hij zowel prostaatkanker als slokdarmkanker heeft. En omdat er toch een stuwmeer vol vakantiedagen klaar lag.

Dit weekend is hij in ijsstadion Thialf in Heerenveen bij de wereldkampioenschappen ‘afstanden’. Niet om te schaatsen, maar om bloed af te nemen bij de wedstrijdschaatsers. Voor hun bloedpaspoorten. Om te kijken of hun bloed er net zo uit ziet als bij vorige toernooien. Afwijkingen kunnen wijzen op dopinggebruik.

Bij de bloedcontroles die Kuipers als lid van de medische commissie van de internationale schaatsbond ISU mee opzette en uitvoerde liep schaatsvedette Claudia Pechstein in 2009 tegen de lamp. Kuipers deed ‘aangifte’. Op 7 februari 2009 lieten twee achtereenvolgende bloedmetingen ‘abnormale’ percentages van jonge bloedcellen zien. Te hoog. De Duitse schaatsbond liet Pechstein niet starten. Elf dagen later waren Pechsteins bloedwaarden weer laag. Het staat in het vonnis dat het Court of Arbitration of Sport, de sportrechtbank van het Internationaal Olympisch Comité, eind november 2009 velde. De hoge en de later lage waarden zijn alleen te verklaren door manipulatie. Kuipers was getuige.

Hoe heeft Pechstein gemanipuleerd? Gebruikte ze epo, nam ze bloeddoping?

“Ik kan het misschien wel zeggen, maar dat doe ik niet. Ik kan niet duidelijker zijn dan zeggen dat het alleen tot een veroordeling komt als de afwijkende waardes niet anders verklaard kunnen worden dan door manipulatie.”

Pechstein vocht haar schorsing van twee jaar aan. Maar drie beroeps- en rechtszaken verder bleef haar schorsing in stand. Het was de eerste keer dat een sporter is veroordeeld op grond van een langdurige reeks metingen van bloedwaarden. Zonder op doping te zijn betrapt.

“Dat was het idee achter het bloedpaspoort”, zegt Kuipers. “De schaatsers liepen daarmee voorop. Wij zijn er in 2000 mee begonnen.” Kuipers werd in dat jaar lid van de medische commissie van de ISU. “Pas later is de internationale dopingorganisatie WADA voluit mee gaan doen. Die heeft het nu uitgebreid naar het biologisch paspoort, waarbij ook langjarige reeksen hormoonwaarden worden gemeten.”

Geloofde

WADA

er niet in?

“Ze hadden moeite met het opleggen van schorsingen. Ze hadden het steeds over gezondheidstests en over een tijdelijk startverbod om gezondheidsredenen. Dat is gewoon een eufemisme. Toen de zaak-Pechstein in 2009 begon was WADA nog niet zover. Dus we hebben zelf het wiel moeten uitvinden. Nu is het veel beter geregeld. Wij lokaliseren en identificeren het ‘wild’. Het afschieten gebeurt door WADA.”

En als u Pechstein nu tegenkomt?

“Ik ontmoette haar een paar weken geleden bij de finale van de World Cup in Berlijn waar ik de bloedcontroles deed.”

Is ze boos op u?

“Dat heb ik niet gevraagd. Het was gewoon, zeg maar zakelijk. Ik heb bloed bij haar afgenomen. Ze zal me niet voor haar verjaardag uitnodigen.”

Toch knap dat ze op haar veertigste nog terugkomt in de top?

“Ze is nog steeds een topper. Daar heb ik alle bewondering voor. Ze werd in Berlijn derde op de vijf kilometer. Als je 40 bent is dat heel bijzonder.”

Is topsport goed voor een lichaam?

“Niet per definitie. Het hangt van de sport af. Bij wielrenners zie je bijvoorbeeld weinig problemen. Die dragen hun gewicht niet. Schaatsers hebben nog wel eens rugklachten. Ik heb zelf artrose van een paar rugwervels, vrij hoog in de rug. Dat komt op die plek bijna nooit voor. Dat heb ik ongetwijfeld van het schaatsen. Vergelijk het met stratenmaken. Dat is ook een soort topsport. De praktijk wijst uit dat dit niet altijd gezond is.”

U bent in

1976

gestopt, kort nadat u wereldkampioen was geworden. Hoe lang had u nog door kunnen gaan?

“Ik had al jaren van tevoren bedacht dat ik dan zou stoppen. Ik kwam toen in het zesde jaar van mijn geneeskundestudie. Dan moet je co-schappen doen en diensten draaien in het ziekenhuis. Dat is niet te combineren met trainingen.”

Nooit spijt van gehad?

“Het enige waar ik spijt van heb is dat ik in 1972 niet ben meegegaan naar de Olympische Spelen in Sapporo. Toen zat ik net in de kernploeg en ik dacht dat ik daar niets te zoeken had. Achteraf was dat een foute inschatting. Ik had medaillekansen op de 1.500 en 5.000 meter. Schenk won op deze afstanden goud, maar er is ook zilver en brons.”

Wordt er nu heel anders getraind dan toen u zelf schaatste?

“Er is veel veranderd, maar de valkuilen zijn nog precies hetzelfde. En de ideeën die naar die valkuilen leiden ook. Er raken bijvoorbeeld nog steeds sporters overtraind.”

Hoe komt dat?

“Een sporter is van nature onzeker. En trainen doen sporters vaak om onzekerheid weg te werken. Ik heb het ook geleerd door schade en schande. Uiteindelijk had ik het idee dat ik het zo kon sturen dat ik de kans kon verhogen om op een geplande dag de sterren van de hemel te rijden.”

Dus de vorm van de dag bestaat echt?

“Iedere sporter heeft de ervaring dat hij de ene dag constant met wind mee rijdt en dat een andere keer continu de handrem er op staat. De reactie was vaak: kom, allemaal psychisch.

“Ik heb dat samen met een collega onderzocht. Wekelijks hebben we dezelfde mensen op een fietsergometer gezet. En het fenomeen bestaat echt. Je ziet het in maximaal haalbare hartfrequentie, in melkzuurconcentratie, ademfrequentie, in het maximaal haalbare vermogen, in alles. Als je het idee hebt dat je steeds met wind in de rug fietst, geven de fysiologische variabelen ook aan dat dat zo is.”

En een verklaring?

“Die hebben we nog steeds niet. Toch is het belangrijk omdat tot die dag werd gezegd: onzin, een mens presteert elke dag hetzelfde, als hij maar wil. Maar dat is dus niet zo.”

En dat is doorgedrongen in de sportpraktijk?

“Langzaam maar zeker. Het probleem is dat trainers en sporters over het algemeen slecht luisteren.”

Kun je het zo faseren dat je bij een kampioenschap gegarandeerd zonder handrem rijdt?

“Garanties kun je niet geven. Om te beginnen moet je een trainingsdagboek bijhouden en daar niet alleen inzetten wát je hebt gedaan, maar ook hoe het ging. Als je het over een paar maanden bekijkt, dan zit er vaak een wetmatigheid in. Door op tijd rust te nemen kun je dat ritme een beetje sturen.

“Bij het topschaatsen is de belangrijkste functie van de coach om te motiveren, te inspireren en om een sfeer in een groep te vormen die stimuleert om te winnen. En een coach moet vooral af en toe zeggen ‘ho, ho, nu even niet’.”

U bent als fysioloog steeds meer in de psyche geïnteresseerd geraakt?

“Ik ben vooral geïnteresseerd in de grenzen van het menselijk lichaam. Ook bij mezelf. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat het menselijk lichaam dit allemaal kan, heb ik me vaak afgevraagd. Maar de psyche van de sporter is hartstikke belangrijk. Ik heb nooit psychologisch onderzoek in mijn werk geïntegreerd. Maar in de praktijk van een sportploeg moet je rust hebben, een goede sfeer en sporters moeten geen andere dingen aan hun kop hebben.”