Besluit van justitie om Zorreguieta niet te vervolgen is op zijn minst wankel

Het internationale verdrag tegen gedwongen verdwijningen is vorig jaar ingrijpend veranderd. Dit heeft gevolgen voor mogelijke daders.

Marthe Lot Vermeulen vraagt zich af of justitie in Nederland voldoende heeft onderbouwd waarom het Jorge Zorreguieta niet vervolgt.

De beslissing van het Openbaar Ministerie om af te zien van de vervolging van Jorge Zorreguieta komt niet als een verrassing, aldus Marcel Haenen afgelopen maandag in deze krant. Los van politieke gevoeligheden rijst de vraag of Nederland met deze beslissing voldoet aan haar recentelijk aangegane internationale verplichting om straffeloosheid van gedwongen verdwijningen tegen te gaan.

Deze verplichting is er met goede reden. Gedwongen verdwijning is een van de ernstigste misdrijven die vaak ongestraft blijven. Het slachtoffer wordt doorgaans door overheidsfunctionarissen op een geheime locatie gemarteld en mogelijk geëxecuteerd, terwijl de staat de gevangenschap en kennis omtrent de verblijfplaats of het lot van de verdwenen persoon ontkent. Familieleden verkeren in martelende onzekerheid en kunnen hun zoektocht niet stoppen totdat zij de waarheid kennen. Pas dan, zo blijkt uit onderzoek, kan het verwerkingsproces beginnen.

Eind vorig jaar trad het Internationale verdrag tegen gedwongen verdwijning in werking. Sindsdien moet de Nederlandse staat een strafrechtelijk onderzoek instellen als er aanwijzingen zijn dat een dader van gedwongen verdwijning zich op haar grondgebied bevindt. Het betreft hier geen absolute verplichting, maar een staat die afziet van vervolging zal mogelijk verantwoording moeten afleggen over de vraag of aan deze beslissing een grondig onderzoek ten grondslag lag. Uit de summiere informatie die het OM heeft vrijgegeven blijkt echter ten eerste dat het OM aan de familieleden van de verdwenen personen heeft gevraagd om bewijs aan te dragen van Zorreguieta’s persoonlijke betrokkenheid bij de gedwongen verdwijning van hun dierbaren. Ten tweede stelt het OM dat Zorreguieta tijdens het Videlaregime geen leidinggevende was en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij informatie heeft achtergehouden.

Wat betreft het eerste punt lijkt de houding van het OM niet te stroken met wat er van een staat in deze situatie wordt verwacht. Een geval als het onderhavige, waarin een staat die niet zelf betrokken was bij een verdwijning door familieleden wordt gevraagd een mogelijke (leidinggevende) dader van die verdwijning te vervolgen, is nog niet eerder aan de orde geweest bij internationale mensenrechtelijke instanties. In zoverre is de zaak Zorreguieta uniek. Toch valt niet uit te sluiten dat bepaalde eisen die zijn vastgelegd in zaken tegen staten die zelf verdacht worden van gedwongen verdwijning (deels) ook in deze situatie gelden. Een indicatie daarvoor is dat een staat onder het Internationale verdrag verplicht is op internationaal niveau samen te werken om straffeloosheid van daders te voorkomen.

Nadrukkelijk is in internationale jurisprudentie vastgelegd dat een onderzoek naar een vermeende gedwongen verdwijning niet afhankelijk mag zijn van het bewijs dat slachtoffers kunnen leveren. Dit bewijs is immers juist bijna niet te verkrijgen omdat de betrokken staat alle informatie achterhoudt of verzwijgt. De autoriteiten moeten alle middelen aanwenden om zelf actief bewijsmateriaal te verzamelen, zoals het horen van getuigen, familieleden en de vermoedelijke daders. Mogelijk heeft het OM dit onderzoek verricht, maar het heeft de schijn tegen door de nabestaanden een bewijsopdracht mee te geven. Als het OM onvoldoende zelfstandig onderzoek heeft verricht, handelt Nederland mogelijk in strijd met het Internationale verdrag.

Voor wat betreft de stelling van het OM dat Zorreguieta geen leidinggevende was en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat Zorreguieta informatie achterhoudt of heeft verzwegen, zal onder het Internationale verdrag hoogstwaarschijnlijk ook van belang zijn hoe het OM tot dit oordeel is gekomen. Uit relevante rechtspraak blijkt dat al het bewijsmateriaal in samenhang moet worden beschouwd. Daarbij hoort ook indirect bewijsmateriaal zoals de aangetoonde systematische praktijk van gedwongen verdwijning onder het Videla-regime en de positie van Zorreguieta als minister van Landbouw. De grootschaligheid van deze praktijk en de openheid waarmee velen zijn opgepakt om nooit weer terug te worden gezien, doet vermoeden dat de misdrijven een hoogste burgerlijke functionaris niet kunnen zijn ontgaan.

Gedwongen verdwijning is een voortdurend misdrijf dat een ononderbroken verplichting voor staten met zich meebrengt om de waarheid over het precieze lot of de verblijfplaats van het slachtoffer te achterhalen en om de daders te straffen. Het feit is dat Zorreguieta, een vermoedelijke dader van verdwijningen in Argentinië, zich vaak op Nederlands grondgebied beweegt. Hoewel een strafrechtelijk onderzoek in Argentinië de meest logische stap is, kan Nederland niet langer een passieve toeschouwer zijn.

Marthe Lot Vermeulen is op 15 maart 2012 gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht op staatsverantwoordelijkheid voor gedwongen verdwijningen.