'Actievoeren is niet mijn stijl'

Homo-voorvechter Henk Krol zet zich voortaan in voor ouderen. ‘Homoseksualiteit is maar tien procent van wie ik ben’, zegt hij bij een roodbaars.

Hij staat voor een ommekeer in zijn leven. Zo zegt Henk Krol (62) dat. Vijfendertig jaar lang is hij nu hoofdredacteur van de Gay Krant, het tijdschrift dat hij zelf oprichtte. Hij groeide uit tot dé woordvoerder van ‘homo-Nederland’. „Zodra er iets speelt op homogebied, bellen de media mij. Alsof ik het enige kaartje in de kaartenbak ben.” Hij wijst op iets denkbeeldigs boven zijn hoofd. „Zie je die roze neonletters staan?” Hij spelt het woord: „ H.O.M.O.” Hij is het zo langzamerhand wel zat. „Homoseksualiteit is maar tien procent van wie ik ben.”

En er is nog iets. „Tien jaar geleden ben ik tegen kanker aangelopen.” Darmkanker. Hij mag bijna twee meter zijn en flink van postuur, er was niks meer van hem over. Na de operatie kreeg hij een stoma. Die kon er na een jaar weer uit. Het enige wat nog aan zijn ziekte herinnert, is het gapende gat in zijn buikwand. Hij klopt op zijn buik. „Af en toe piept er een stuk darm naar buiten.” Hij zit er niet mee. Onder zijn overhemd draagt hij een figuurcorrigerend shirt. „Dat houdt de boel op zijn plaats.”

De ommekeer, het keerpunt in zijn leven is dit: „Ik wil me de jaren die ik nog heb, inzetten voor meer dan alleen de homo-emancipatie.” Hij heeft ook al bedacht wat dat andere zal zijn: ouderen. Want, zegt hij, we maken ons in dit land drukker om varkensflats en megastallen dan om hoe we onze ouderen opbergen.

Hij is blij verrast dat ik bereid ben naar hem toe te komen. „Ik ben gewend dat ik naar de Randstad moet voor mijn afspraken.” Het hoofdkantoor van de Gay Krant zit in Best, Henk Krol en zijn man Reon wonen aan de rand van Eindhoven, we spreken af in Nuenen bij restaurant Olijf. Hij roemt de „eetcultuur van het Zuiden”, de andere uitstekende restaurants die er in dit toch maar kleine dorp zitten. Heel on-Randstedelijk zal hij alles opeten wat het lunchmenu hem biedt, inclusief de koekjes bij de koffie. En hij geniet ervan.

Hij heeft zijn leven lang geknokt, zegt hij. Hij gooit abrupt zijn servet naast zijn bord, staat op en zegt: „Loop maar even mee.” Even later staan we buiten, bij het voormalig woonhuis van Vincent van Gogh, de schilder. „Zie je iets?”, vraagt hij. Ik zie niks bijzonders. „Precies”, constateert hij en loopt door naar de naastgelegen pastorie. Twee bordjes op de deur. ‘Niet aanbellen’ en ‘Niet te bezichtigen’. „Hoe kan zoiets?”, vraagt hij. „Een van de beroemdste schilders woonde in dit dorp, en daar wordt niets mee gedaan.” Ja, er is een klein museum. „Maar in elk ander land zou dit dorp een bedevaartsoord zijn voor kunstliefhebbers.”

Het lijkt terloops en spontaan, het rondje door het dorp. Maar dat is het niet. Dit is hoe Henk Krol knokt. „Spandoeken of actievoeren is niet mijn stijl.” Hij masseert. „Het heeft geen zin om de burgemeester van Nuenen te gaan bellen. Dan ben je lastig. Af en toe moet je een onderwerp op het goede moment ter sprake brengen.” Ik begrijp dat dat precies is wat hij net heeft gedaan.

Hans Wiegel

Hij was net twintig toen Hans Wiegel, destijds partijleider van de VVD, hem vroeg als woordvoerder. „Dan zaten we met de hele fractie aan een reusachtige tafel te vergaderen, dat was in de tijd dat de partij nog 36 zetels had. Ik zat aan het eind, tegenover Frits Bolkestein. Bij elk onderwerp dat ook maar zijdelings te maken had met homoseksualiteit werd er mijn kant op gekeken. Ik knikte ja. Of nee. En dan werden besluiten aangepast. Zo simpel is het. Kleine dingen kunnen grote veranderingen opleveren.”

Vijfendertig jaar moest hij de minister bellen om een „homobelang” ter sprake te brengen. Hij doet voor hoe dat ging. „Met Henk Krol van de Gay Krant. ‘Wie zegt u, de kerkkrant?’ ‘Nee, de Gay Krant.’ Tuut, tuut, tuut.” Nu belt de minster hém. Marja van Bijsterveldt (CDA) van Onderwijs wil dan van hem weten of er nog iets speelt op ‘homogebied’. „Ik spreek over wat ik uit eigen ervaring weet.” En dat is precies waar hij weleens vanaf wil. „Ik kan niet namens een groep spreken. Ik ben daartoe niet verkozen.” Hij is verkozen om namens ouderen te spreken. Hij is nu een jaar lid van Provinciale Staten, voor zijn partij 50Plus.

Het voorval waarover hij nu vertelt, lijkt de ommezwaai in zijn leven te symboliseren. Een lesbische vrouw van in de tachtig belde hem huilend op. „Ze woonde haar hele leven al samen met haar vriendin, de laatste twaalf jaar in een appartementencomplex ergens in het midden van het land. Altijd naar genoegen. Tot een groepje jongens zich tegen hen keerde. De pruik werd van het hoofd van haar vriendin getrokken. Eieren tegen de voordeur. Pornoblaadjes door de brievenbus waarop geschreven stond ‘zo hoort het’. Dat je zoiets op die leeftijd nog moet meemaken.” Het voorval heeft Henk Krol doen besluiten een oproep te plaatsen in de Gay Krant. „Vierhonderd reacties van homo’s die te maken hebben gekregen met pesten, bedreigingen, fysiek geweld.”

Hij is ervan geschrokken. „Ik ken het fenomeen niet.” Hij is nog nooit gepest. Heeft zich nooit bedreigd gevoeld ook. Of toch, één keer. „Op een avond op het station in Den Bosch. Ik kwam de roltrap af en liep zo in de fuik van een stuk of twaalf jongens. Marokkaantjes – het zweet stond op m’n rug. Eentje sloeg me op mijn schouder. Joviaal. ‘Hé die Krol’, zei hij. ‘Jij bent goed bezig.’”

Eind vorig jaar schreef hij zijn eerste boek. Gautam heet het, waarin hij het waargebeurde verhaal vertelt van een Surinaamse, homoseksuele jongen die zijn moeder achterna reist naar Nederland. De moeder is hertrouwd met een streng islamitische man. Gautam wordt verstoten en zwerft als veertienjarige op straat. „Veel mensen vonden het boek xenofoob. Passend in het straatje van Wilders.” Zo is het boek zeker niet bedoeld, zegt hij. „Maar feit is dat met name jonge Marokkaanse jongens het homo’s weer moeilijk maken.”

Indirect heeft Henk Krol zo het antwoord gegeven op een vraag die ik niet gesteld heb. Nee, de homo-emancipatie is niet klaar. Alleen Henk Krol gaat nu wat anders doen. Waarom hij zich uitgerekend voor ouderen wil inspannen, begrijp ik niet zo goed. Want wanneer ben je oud? Boven de 50, als je zijn partijnaam als uitgangspunt neemt. Dan duurt oud zijn wel heel lang. Hij bemoeit zich met ouderen die door moeten werken na hun 65ste. „Ik vind het prima. Graag zelfs. Maar wat doen we met de mensen die 50 zijn en geen werk hébben.” Ook heeft hij het over het welzijn van tachtigplussers in verzorgingstehuizen.

Zijn vader, Max Krol is 89. „Ik bezoek hem elke zaterdag.” Hij woont zelfstandig en handelt nog dagelijks in aandelen. Vroeger was hij financieel directeur van safaripark Beekse Bergen. Heel even wandel ik mee op het zijpaadje dat Henk Krol nu in slaat. Over de jonge leeuwtjes vroeger bij hem thuis. Zijn zusje (ze is nu kindercardioloog) die een giraffe na een stuitbevalling mond-op- mondbeademing gaf. De olifant die elke dag zijn slurf om zijn hals sloeg en daarmee in zijn beginnende baardharen kroelde. Maar dan is hij weer bij zijn moeder. Ze is twee jaar geleden overleden. Diep dement.

Hij had zo graag zelf voor haar willen zorgen. Hij wilde een huisje voor haar bouwen bij hem in de tuin. Maar de gemeente verleende hem de vergunning ervoor niet. „Ik heb haar zien aftakelen tot er niets meer van haar over was. In het begin smeekte ze me om haar daar weg te halen.” Hij slaat zijn grote hand om zijn pols. „Met alle kracht die ze in zich had, greep ze me vast. ‘Laat me inslapen. Maak hier een einde aan.’ Op het laatst zei ze niets meer.”

„Was het anders gelopen als ze bij u in de tuin had gewoond”, vraag ik.

Hij denkt van wel.

„Dag en nacht de zorg voor een dementerende, misschien wel jaren lang. Dan had u niet eens meer kunnen werken.”

„Misschien had ik het niet gekund. Maar dan had ik het tenminste geprobeerd.”

Hij voelt zich schuldig. Zegt dat hij haar een waardiger einde had gegund.

„U bedoelt een zelfgekozen einde?”, vraag ik.

Hij knikt. „Dat mag je iemand niet weigeren.”

Hij lijkt nu boos. Ik vraag op wie. „Ik weet niet wie of wat schuld heeft. Ik weet alleen dat we het nu niet goed doen met onze ouderen. Ze wegstoppen is mensonterend.”

Hij zucht. „Ik weet de oplossing ook niet.”

Zelf heeft hij alles geregeld. „Voor Reon heb ik een lijstje gemaakt met dingen die ik absoluut nog wil kunnen.” Hij wil niet zeggen wat er op het lijstje staat. Te privé. „Reon kan die punten turven. Als ik dat allemaal niet meer kan, en ik spartel niet te veel tegen, dan is het mooi geweest.”

En dan?

„Dan mag je me rustig laten inslapen.”

Huwelijksfeest

De dood is niet de vijand. Dat weet Henk Krol sinds zijn ziekte ruim tien jaar geleden. „Ik verlangde ernaar.” Vlak voor hij geopereerd zou worden, eind 2000, deed hij iets wat hij nooit had willen doen. Hij ondertekende met Reon een geregistreerd partnerschap. „Ik wilde een huwelijksfeest en een huwelijksreis. Geen geregistreerd partnerschapsfeest. Gelijkwaardigheid is meer dan gelijke rechten. Dan moet je de terminologie ook hetzelfde maken.” Hij deed het om Reon, die een kapsalon in Eindhoven heeft, fatsoenlijk achter te laten voor het geval hij het niet zou overleven. En zelfs met de dood in zicht, masseerde hij nog even. „Ik heb de woordvoerders van de vier grote partijen uitgenodigd bij die registratie. Ik zei: dit is een moetje. Mag ik op jullie steun rekenen bij de openstelling van het huwelijk.” Dat gebeurde in 2001, op 1 april (zijn verjaardag). Hij trouwde een paar maanden later, toen hij voldoende was hersteld.

Ik vraag of hij het geen eng idee vindt dat zijn man – 19 jaar jonger en ooit tweede bij de Mister Gaykrant-verkiezing – mogelijk te vroeg van hem afwil. Integendeel, zegt Krol. „De vergelijking gaat niet helemaal op, maar ik heb mijn vorige hondje te lang in leven gehouden. Voor het hondje had het niet gehoeven. Maar ik wou geen afscheid nemen.”