Aangenaam en nuttig gaan best samen

Bjarke Ingels is een invloedrijke architect die visionair denkt en groot bouwt. Hij zoekt het avontuur, maar nooit zonder dwingende reden.„Pragmatisch utopisme” noemt hij zijn aanpak.

Als jongen wilde Bjarke Ingels striptekenaar worden. In Kopenhagen was daar geen opleiding voor, dus ging hij architectuur doen – daar kon je in ieder geval leren tekenen. Geen wonder dat hij zijn eerste manifest, Yes is More (2009), goot in de vorm van een 400 pagina’s groot stripboek. Hij noemt het een ‘archicomic’, en pakt er breed in uit met bouwsels à la de glanzende sciencefiction van de speelfilm Inception. Uit de titel blijkt om te beginnen dat hij zich – met een knipoog – op één lijn plaatst met architectuurgrootheden als Mies van der Rohe (‘Less is more’), Robert Venturi (‘Less is a bore’), Philip Johnson (‘I’m a whore’) en Rem Koolhaas (‘More and more, more is more’) en zelfs de Amerikaanse president Obama (‘Yes we can’).

Donderdagavond kwamen 1.700 mensen naar de Doelen in Rotterdam om te luisteren naar de 37-jarige Deense architect die over de hele wereld furore maakt. De nieuwe Rem Koolhaas wordt hij genoemd. Hij stuitert over de aardbol met lezingen die een mengsel zijn van humor, blitse beelden, showmanschap en bedachtzame inhoud. Hij doceert aan universiteiten als Harvard en Yale en praat met opdrachtgevers van Azerbaidzjan tot New York, van Parijs tot Shanghai. Hij buigt zich over een nieuwe wolkenkrabber op Manhattan, een museum in Nuuk, de hoofdstad van het onlangs onafhankelijk geworden Groenland, een woontoren in Vancouver, een afvalverwerkingsbedrijf met skihellingen op het dak in Kopenhagen. Hij heeft in Nederland gewoond, tussen 1998 en 2001 werkte hij bij het bureau OMA van Koolhaas. Maar hier heeft hij nog niet gebouwd.

Ingels wordt ook als visionair geraadpleegd, door bedrijven en overheden. In opdracht van het Duitse autobedrijf Audi deed hij een studie naar de toekomst van het verkeer, en een paar weken geleden nam hij deel aan een brainstormsessie bij de Britse premier Cameron, onder andere over fietsvoorzieningen in Londen.

Ingels’ sculpturale gebouwen zijn spektakelstukken: de piramide die als een spiraal wegdraait, de gebouwen in de vorm van een berg, de trossen puntige balkons. Al deze wilde ideeën zijn of worden uitgevoerd. Ze zijn ontzagwekkend groot en illustreren dat de naam BIG, afkorting van Bjarke Ingels Group, voor zijn bureau geen toeval is.

De ideeën en ontwerpen van Ingels vliegen via internet de wereld over en zijn invloedrijk. „Zelfs de productiefste architect kan in zijn leven hooguit een paar honderd gebouwen maken”, zegt Ingels. „Wij willen nieuwe typologieën scheppen. We willen nieuwe soorten aan het dierenrijk van de architectuur toevoegen om het leven prettiger te maken en de stad duurzamer. Daarom spreekt hij niet over een revolutie in de architectuur en heeft hij het liever over een evolutie.

Je zou kunnen denken dat het BIG louter gaat om vorm en show, dat ze vooral uit zijn op het sexy plaatje dat indruk maakt in publicaties. Maar zowel uit dit gesprek met Ingels als uit zijn lezing in De Doelen blijkt dat zijn voorkeur voor wilde vormen toch echt samenhangt met de plek waar die vormen zich moeten voltrekken, met alle randvoorwaarden en beperkingen van dien. „Pragmatisch utopisme” noemt Ingels zijn aanpak. „Architectuur moet meer zijn dan alleen mooie gevels of een toevallige stapeling slaapkamers en badkamers. Gebouwen zijn ecosystemen. Ze zitten vol mensen en grondstoffen.”

BIG zoekt het avontuur, beaamt hij, zeker. Maar: „De inhoud ís de vorm. We hebben altijd een reden voor wat we doen.”

Ingels noemde zijn lezing in Rotterdam Hedonistic sustainability – hedonistische duurzaamheid. Onbekommerd genot en duurzaamheid gaan dus toch samen? Wat een heerlijke boodschap. We can have our cake and eat it too, zonder schuldgevoel. We mogen het allebei. Dat is toch te mooi om waar te zijn?

Het hele gesprek over duurzaamheid zit nu te veel in de calvinistische hoek, zegt hij, waarbij goed doen pas goed is als het pijn doet. „Het gaat altijd alleen over wat we bereid zijn op te offeren. Terwijl veel bijdragen aan de duurzame stad juist de kwaliteit van leven verhogen. Zo neemt in Kopenhagen 40 procent van de forensen de fiets. Die staan dus niet in de file. En het water van de haven is daar inmiddels zo schoon dat je erin kunt zwemmen. Waardoor je niet meer met de auto naar de kust hoeft – dat is duurzaam én hedonistisch.”

Dat schone water van de haven werd zelfs een exportartikel, samen met het bronzen ‘logo’ van Kopenhagen, de kleine zeemeermin, naar het sprookje van de grote Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen, op haar rots. Twee jaar geleden ontwierp BIG het Deense paviljoen voor de Wereldtentoonstelling. Het gevolg was dat 500 duizend liter water en de bronzen zeemeermin plus haar rots naar Shanghai vervoerd werden. Ze maakten deel uit van een simpel rond gebouw, stralend wit in de kakelbonte global screaming match, zoals Ingels het noemt. Op het dak kon je een fiets pakken en langs een blauwe hellingbaan – in Kopenhagen zijn de fietspaden blauw geasfalteerd – helemaal naar beneden roetsjen, naar een glasheldere vijver waar de kleine zeemeermin op je wachtte. Dat was soms wat penibel, de fietsen waren aan de grote kant voor veel van de berijders. Maar het was een doorslaand succes bij de Chinezen. Die hadden er uren wachten voor over om naar beneden te kunnen suizen.

„Ons paviljoen voor de Wereldtentoonstelling was het eerste ontwerp van BIG dat ik in het parlement heb moeten verdedigen”, vertelt Ingels. „De Volkspartij, de Deense PVV, wilde een wet aannemen die verbood dat de kleine zeemeermin naar het buitenland zou gaan. Als antwoord hing de Chinese kunstenaar Ai Weiwei een surveillancecamera in het paviljoen die zes maanden lang beelden van de zeemeermin naar een scherm op haar plek aan de Sont in Kopenhagen heeft gestuurd, zodat iedereen in het verre China kon zien dat het goed met haar ging.”

Een grap en een sterk beeld werken beter dan dogma om de bewustwording te bevorderen, vindt Ingels. Kijk naar het afvalverwerkingsbedrijf dat hij voor Kopenhagen ontwierp. Het heeft niet alleen een skihelling op het dak maar ook een schoorsteen die gigantische rookringen uitstoot. „Tien rookringen staan gelijk aan één ton CO2. Het probleem is hiermee niet opgelost, maar wel zichtbaar gemaakt. Je moet eerst weten wat er aan de hand is voor je actie kunt ondernemen.”

Die skibaan begon als een grap op het bureau, vertelt hij, maar hij bleek te stroken met de BIG-maatstaven. „Ik vind het belangrijk dat dit soort voorzieningen, die anders alleen een grijze ontoegankelijke vlek op de kaart zijn, zichtbaar en aantrekkelijk worden. Afval is óók een grondstof. Van het afval dat in deze centrale zal worden verwerkt, wordt ruim 40 procent gerecycled. En ruim 50 procent wordt omgezet in stadsverwarming. Het dak wordt een plek om dichtbij huis plezier te maken. Dat is duurzaamheid die niemand pijn doet.”