Rechtlijnig, streng rechtlijnig

De New Look, het Bauhaus, de femme fatale, de polonaise. Europa is meer dan eurofobie en bankencrises. In een serie over de cultuur die het continent bindt: De Stijl, van Rietveld tot Nijntje.

Gerrit Rietveld: Rood-blauwe stoel (1918-1923)

‘Elk meubel is een klein bouwwerk’. ‘In een schilderij moet je kunnen wonen’. ‘Zitten is een werkwoord’.

Deze beroemde uitspraken, gedaan door de architect H.P. Berlage, de schilder Piet Mondriaan en de meubelontwerper Gerrit Rietveld, geven een aardige samenvatting van de ideeën van De Stijl. De beroemdste Nederlandse stroming sinds het genreschilderen uit de Gouden Eeuw wilde een brug slaan tussen kunst en samenleving, natuur en cultuur, en slechtte inderdaad de grenzen tussen architectuur, schilderkunst, mode en design. Hiërarchie in de kunsten mocht niet bestaan, eenheid in verscheidenheid was het ideaal, abstractie in kleur en vorm was het middel om dat te bereiken. Vier jaar na Malevitsj’ Zwarte vierkant (1913) propageerden de pioniers van De Stijl, de belangrijkste essayisten van het gelijknamige tijdschrift, de rechte lijn en de primaire kleuren geel, rood en blauw als belangrijkste uitdrukkingsvormen van de ‘Nieuwe Beelding’ – of, zoals de stroming in het buitenland werd genoemd, het Neoplasticisme.

Die pioniers waren Piet Mondriaan, een landschapsschilder die in het eerste decennium van de twintigste eeuw stap voor stap abstracter was gaan werken, en Theo van Doesburg (1883-1931), een schrijver-schilder-criticus die onder invloed van het kubisme en het futurisme de kunst radicaal wilde veranderen. Hun samenwerking was toeval, aangezien Mondriaan al in 1912 naar Parijs was verhuisd en tussen 1914 en 1918 alleen maar in Nederland was omdat hij wegens de Eerste Wereldoorlog niet terug naar zijn atelier kon. Maar ook de andere kunstenaars die zich met de nieuwe beweging associeerden, liepen de deur niet bij elkaar plat (Mondriaan en Rietveld ontmoetten elkaar nooit!) en waren bepaald geen fanatieke leden voor het leven. De schilder Bart van der Leck, die Mondriaan nog op het idee had gebracht om primaire kleuren te gebruiken, kreeg al in 1918 ruzie met Van Doesburg; de architect Jan Wils (later bekend geworden door het Olympisch Stadion) werd in 1919 geroyeerd omdat hij voor een concurrerend tijdschrift schreef; en Mondriaan verliet De Stijl in het midden van de jaren twintig omdat hij zich niet kon verenigen met Van Doesburgs pleidooi voor weer een nieuwe manier van schilderen, met diagonale lijnen.

Het nam niet weg dat De Stijl al snel populair werd, en beroemd in het buitenland – dankzij de onvermoeibare propaganda van Van Doesburg, die een tentoonstelling organiseerde in Parijs en een cursus gaf aan het Bauhaus in Weimar. Niet alleen de geometrische schilderijen van Mondriaan en Van Doesburg werden iconen van het Neoplasticisme, ook de ontwerpen van J.J.P. Oud (bijvoorbeeld Café De Unie in Rotterdam) en Rietveld. De laatste moest trouwens wel even wachten voordat zijn stoel uit 1919 de faam kreeg die ze nog steeds heeft. Uit een vorig jaar gepubliceerde studie werd duidelijk dat de stoel geen opzien baarde toen hij voor het eerst werd geëxposeerd. De invloed van Rietvelds leermeester P.J.C. Klaarhamer was overduidelijk en de vijftien latten en twee plankjes waarvan de stoel gemaakt was, waren ongeverfd. Pas toen Rietveld zijn stoelen (prijs aanvankelijk 15 gulden) ging uitvoeren in de primaire kleuren die ook hij van Van der Leck had afgekeken, kreeg hij succes.

De Rood-blauwe Stoel heeft dan ook een ereplaatsje in de inrichting van het (rijtjes)huis dat Rietveld in 1923-1924 in Utrecht bouwde voor de architectuurliefhebster Truus Schröder-Schräder. Met rechte muren, schuifwanden, openslaande hoekramen, een strakke inrichting en primaire kleuraccenten creëerde Rietveld een ‘open plattegrond’ – een driedimensionale versie van het spel van lijnen, kleuren en vlakken (elementary, my dear!) dat De Stijl kenmerkte. Om het prettig bewoonbaar te maken moesten in de loop der tijd nogal wat aanpassingen worden gedaan, maar na de dood van mevrouw Schröder (1985) werd het huis in de oude staat hersteld, en sinds 2000 is het UNESCO-erfgoed. Niet alleen omdat het een van de weinige woningen in Stijlstijl is, maar ook omdat het wereldwijd gezien wordt als typisch Nederlands.

Dat is interessant, want niemand zal ontkennen dat de invloed van De Stijl in de eerste plaats internationaal is. De architecten en ontwerpers van het Bauhaus, van Ludwig Mies van der Rohe met zijn glas-en-staalgebouwen tot Marcel Breuer met zijn latten- en buizenstoelen, zijn erdoor beïnvloed, net als de Amerikaanse abstract-expressionisten en conceptuele kunstenaars als Sol Lewitt en Donald Judd. De beeldtaal van De Stijl zie je terug op de Mondriaanjurk van Yves Saint Laurent, de jaren-tachtigwielershirts van La Vie Claire, en niet te vergeten de plaat De Stijl van de Amerikaanse garagerockband The White Stripes.

Allemaal waar, maar tegelijkertijd is De Stijl volgens sommige kunsthistorici ook een uitdrukking van de Nederlandse hang naar soberheid en zuiverheid die al sinds de Beeldenstorm in de kunst traditie is. Mondriaan is in hun ogen een update van de kerkschilder Saenredam, en bovendien kun je zijn rechte lijnen en strakke vlakken als een weerspiegeling zien van de manier waarop de Nederlanders hun land hebben ingericht. In dat licht beschouwd is het werk van Dick Bruna, met zijn strakke lijnen, simpele vormen en eerlijke kleuren, een van de succesvolste afleidingen van de esthetiek van De Stijl. Je vraagt je af wat Gerrit Rietveld (gestorven in 1964) vond van Nijntje Pluis (geboren in 1955). Dat Dick Bruna zich van zijn invloeden bewust was, is wel zeker. In Nijntje wordt kunstenaar (2008) beeldt hij het ondernemende konijn voor een schilderij van Mondriaan af.