Zorg toch voor die schattebouten!

Van slachtvee naar troeteldier. Zo is de ontwikkeling in de beeldvorming van de walvis in de 20ste eeuw samen te vatten. Aan het begin van die eeuw werd het logge beest nog gezien als goudmijn, goed voor een gold rush tussen 1910 en 1940 in de Antarctische wateren. Een ooggetuige stelde in 1908 in de Whaler’s El Dorado nog vast dat het zonde was dat grote massa’s botten, vlees en blubber in de ijszeeën bleven drijven.

Nu is zo’n massale slachting onder walvissen niet meer voor te stellen en wordt er jaarlijks met veel verontwaardiging gereageerd als Japan, ‘om wetenschappelijke redenen’, tweeduizend walvissen uit het water plukt. Walvissen zijn ecologische knuffeldieren geworden, symbool voor de kwetsbare staat van onze planeet. Die doe je geen geweld aan, die koester je. Het is een ambitie die al in 1987 door de Internationale Walvisvaartcommissie met een wereldwijd verbod op de commerciële walvisvaart in wetgeving is vastgelegd.

Toch wordt dat moratorium sinds enkele jaren, ook dit jaar weer, ter discussie gesteld. Niet voor niets prees Greenpeace zich de afgelopen weken in kranten gelukkig met ‘Big Miracle’, de Hollywoodfilm over een bijzondere reddingsactie van een Greenpeace-actievoerder in Alaska in 1988. Uit The Sounding of the Whale van de Amerikaanse wetenschapshistoricus D. Graham-Burnett, blijkt waarom. Bedreigde diersoorten – het is al vaker opgemerkt – maken eerder kans op menselijke bescherming als ze WNF-proof zijn. Een panda en diens knuffelige uiterlijk komt eerder in aanmerking voor ons mededogen dan bijvoorbeeld de Afrikaanse wilde hond. In zijn walvisstudie laat Graham-Burnett zien dat ook aan de aaibaarheidsfactor van de walvis enkele publicitaire mindbombs vooraf gingen. Voor het moratorium uit 1987 en ons huidige beeld van walvissen, zijn ze van doorslaggevende waarde geweest.

The Sounding of the Whale begint met de walvis anno 1904. In dat jaar verkent de Noorse walvisvaarder Carl Anton Larsen het Zuidelijk Halfrond. Hij was naar dat deel van de wereld uitgeweken vanwege de over beviste walvisgebieden bij de Noorse provincie Finnmark, bij Spitsbergen en Groenland. Anton ontdekt de vruchtbare Antarctische wateren. Binnen vijf jaar worden daar meer walvissen gevangen dan in het gehele Noordelijke halfrond.

Door die run op Antarctische walvissen, wordt tussen 1910 en 1940 in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten druk overlegd over de vraag hoe het onbeperkt vissen aan banden kan worden gelegd. Tot concrete afspraken komt het niet. Intussen was zich wel een ramp aan het voltrekken. In die periode ontstaat de hipp-booted cetologist: een behendig snijdende walviskundige die volledig opgaat in de commerciële walvisvaart. De Britse onderzoekers die naar het Antarctische gebied trokken voor onderzoek hoopten genoeg informatie te vergaren om, in de sfeer van regulatie, een rendabele en eeuwigdurende commerciële walvisvaart te garanderen.

Deze houding stond in contrast met de eerste Amerikanen die zich openlijk uitspraken voor het redden van de walvis. Het uitsterven van de Stellar Zeekoe en de Amerikaanse buffel en een zeehondenbontcrisis in de jaren dertig zorgden onder Amerikaanse biologen voor een pessimisme over het voortbestaan van zoogdieren.

Publicitaire hoogtepunten moesten de Amerikanen helpen. Zo slaat een 65.000 woorden tellend artikel in 1940 in de National Geographic in als een bom. De auteur Remington Kellog – volgens Graham-Burnet verantwoordelijk voor het groeiende walvisbewustzijn in die tijd – speelde een belangrijke rol. Expliciet vergelijkt hij in zijn artikel de walvis met de bijna uitgestorven buffel. Kellogs alarmerende stuk was rijk geïllustreerd met prenten van vriendelijke walvisachtigen, gemaakt door de ‘wild-life schilder’ Else Bostelmann. Ook de in 1946 verschenen Disneyfilm ‘The whale who wanted to Sing at the Met’ met het uitstekend zingende ‘monster’ Willie deed als charme-offensief zijn werk. Het is volgens Graham-Burnett de film waar de generatie mee opgroeide die in de jaren zeventig voor het moratorium ging pleiten.

Maar ondanks deze publicitaire hoogtepunten duurde het toch nog dertig jaar voordat het walvissenmoratorium er was. Stemhebbende landen in het IWC, en dan vooral Nederland, weigerden de geopperde vangstquotum te accepteren. Ook voor Nederland, dat begin jaren zestig met de Willem Barendsz II een gloednieuwe walvisfabrieksschip had gebouwd, waren de commerciële belangen te groot.

Doorslaggevend was uiteindelijk het werk van neurowetenschapper John C. Lilly. Hij liet in de jaren ’60 met populaire studies over dolfijnen zien hoe intelligent walvisachtigen waren. Zijn studies leidden tot een reportage in Life en vormden een directe aanleiding voor Farley Mowats A Whale for the Killing. Die bestseller uit 1972 over het lot van een vrouwtjes-walvis in Newfoundland spoorde milieuactivisten aan bijvoorbeeld Greenpeace en Project Jonah op te richten. Lilly’s belangrijkste bijdrage was echter het meeschrijven aan de ultieme mindbomb: Flipper. De tv-serie over die behulpzame, intelligente dolfijn.

Het lot van de walvis ligt in Hollywood, zo blijkt. Is dat zorgwekkend?Stel nou dat de walvis, zoals met ‘Jaws’ bij de witte haai gebeurde, negatieve publiciteit krijgt. Gaan we die vriendelijke zeezoogdieren dan echt weer en masse uit de wereldzeeën schieten?

Graham-Burnett: The Sounding of the Whale. Science and Ceteceans in the Twentieth Century. University of Chicago Press, 793 blz. € 39,-